Nieuwsbrief januari 2016

Met stilzitten houd ik me gewoonlijk niet bezig. Het jaar was dan ook nog niet lang bezig toen ik er al een eerste keer op uit trok. Dat was naar het Zwarte Woud. Het was ook een atypisch uitstapje, want ik plaats van te gaan lopen zoals ik meestal doe, was het nu de bedoeling om een paar dagen te gaan langlaufen met Ellen. Ik geef grif toe dat ik compleet waardeloos ben op ski’s. Maar zo lang je gewoon in de sporen kan glijden lukt dat allemaal wel en blijft het nog leuk ook. Fysiek ben ik natuurlijk sterk genoeg om het een hele dag vlot uit te zingen.
Het Zwarte Woud is een gebied dat ik van harte kan aanraden aan langlaufliefhebbers. Het hele gebergte is bedekt met een enorm netwerk van routes waar je zonder problemen je een paar dagen kan bezig houden zonder dat het saai wordt. Met de sneeuw hadden we ook geluk. Door de erg warme winter was er nog maar erg weinig gevallen. Met net toen wij erheen trokken vond de sneeuw het een goed moment om uit de lucht te dwarrelen. De eerste dag lag er net genoeg om te kunnen langlaufen en daarna viel er elke dag en nacht een heel pak bij. Tegen het einde van het weekend zaten we boven de halve meter.

Na een dergelijk intermezzo keerde ik toch snel terug naar mijn vertrouwde lopen. Al even vertrouwd in januari is mijn deelname aan de Lucioles. Ondertussen was het al de elfde editie van de wedstrijd. Voor mij was het mijn negende deelname. Zoveel edities heb ik dus nog niet gemist. De Lucioles is elk jaar weer een nachtelijke 22 kilometer in de bossen in de buurt van Soiron over een van de meest uitdagende parcours die je in ons land zal vinden. Daarbij komt nog een sfeer zoals je ze alleen bij de Coureurs Célestes kan vinden. Hoewel de wedstrijd wordt afgesloten op “400″ deelnemers stonden er toch meer dan 550 lopers aan de start.
Die start is iets waar het ik het hoe langer hoe lastiger mee begin te krijgen. Dat is gewoon veel te rap en te druk voor mij. De eerste kilometers was het dan ook achter de feiten aanhollen. Het voordeel daarvan is dan weer dat je behoorlijk wat volk kan inhalen. Na een tijdje kwam ik zo bij Michel, Dac en Fabian terecht wat voor mij een goede positie is om te lopen. Het had me toch wat inspanningen gekost om het gat met hen dicht te lopen. Fabian en Dac liepen dan ook terug van mij weg. Voor de rest bleef ik min of meer positie houden. Op een bepaald moment worden de gaten gewoon te groot om nog veel verschil te maken. En naarmate je meer naar voren opschuift zijn het natuurlijk geen pannenkoeken meer die voor je lopen. Helemaal op het einde begon ik terug volk voor mij te zien. Ik heb nog geprobeerd om erbij te geraken, maar schoot toch een paar seconden tekort. De aankomst kwam wat te vroeg om een groep terugvallende lopers te remonteren.
Het parcours loste zoals gewoonlijk al zijn beloften in. Het was zoals steeds erg uitdagend en dit jaar bij momenten behoorlijk glad. Verschillende keren heb ik een pak steviger met de grond kennis gemaakt dan mijn bedoeling was. In vergelijking met vorige jaren was mijn indruk dat het parcours min of meer in de omgekeerde richting liep. Naar mijn aanvoelen zorgde dat ervoor dat de beklimmingen wat softer waren dan anders, maar dat we iets meer halsbrekende afdalingen mochten afvliegen.

Vorig weekend vertrok ik dan nog eens op een van mijn klassieke zwerfweekends. Deze keer ging het richting Italië. Ik vloog naar Rome en trok van daaruit met de trein het binnenland in. Uiteindelijk werd Terni mijn vertrekpunt. Van daaruit kan je direct recht omhoog en ben je zo de bergen in. Net als veel mensen had ik die periode wat last van griepachtige toestanden. Dat is allemaal niet zo heel erg, maar het kalmeerde mijn lopen toch een beetje. Het volstond in elk geval om het aandeel wandelen een stuk hoger te leggen dan gewoonlijk.
De bergen daar in de omgeving zijn niet zo heel spectaculair. De toppen komen op een goede duizend meter uit en zijn bijna volledig bebost. Als je denkt aan de Vogezen met een wat meer Mediterrane vegetatie heb je een goed idee van wat je kan verwachten. De winter is natuurlijk altijd een beetje riskant voor het weer. Het was een gevalletje van geen geluk en geen pech. Met regen of sneeuw kreeg ik niet echt af te rekenen, maar van de zon heb ik ook niet veel gezien. Het grootste deel van de tijd was het bijzonder grauw en mistig. Veel spectaculaire uitzichten moet je dan natuurlijk niet verwachten. Alles samen zorgde het voor een weinig memorabele uitstap.
In de loop van de zondag zorgde ik dan dat ik met wat omwegen in Spoleto terecht kwam, vanwaar je een trein terug naar Rome hebt.

Ondertussen ben ik vooral bezig met mijn planning voor 2016 op te maken. Het probleem is zoals steeds dat er veel meer te doen valt dan ik verlofdagen heb. Jullie merken later wel wat het uiteindelijk allemaal wordt.

Posted in Nieuwsbrief | Leave a comment

Nieuwsbrief november 2015

In november pikte ik een klein wedstrijdje mee. Niks serieus, gewoon een oriëntatieloopje. Het ging om de Escapade Nocturne. Zoals de naam laat vermoeden is het ‘s nachts te doen. De bedoeling is om in ploegjes van twee op vier uur tijd zoveel mogelijk posten te vinden. Ik was er hopelijk te laat bij en vond niet direct een ploeggenoot, dus liep ik maar alleen. Om het helemaal compleet te maken viel mijn trein in Ans in panne waardoor ik mijn aansluiting in Luik miste en ik hopeloos te laat aan de start kwam. Gelukkig lieten ze me met wat vertraging toch nog starten.
Na een snelle blik op de kaart besloot ik eerst in het noorden wat posten te gaan zoeken, dan met een bocht langs het westen naar de zuidkant van de kaart te gaan en als er nog tijd over zou zijn de oostelijke posten op te ruimen. De meeste posten waren erg goed te vinden. Die in het noorden lagen een beetje rond een dorp. De meeste pikte ik vlot op via de min of meer meest logische weg. Een post was waarschijnlijk verdwenen want zelfs na uitgebreid zoeken vond ik hem niet. En van de andere ploegen heb ik ook niemand gehoord die hem gevonden heeft.
Na het dorp draaide ik meer naar het westen en dat betekende wat meer door de bossen en de velden lopen. Op een bepaald moment was er een lang stuk doorheen de velden dat ik met kunde en ook wel wat geluk perfect uitkwam. Zo in het donker niet evident want je kan behoorlijk beginnen ronddwalen eens je fout gaat.
Naar het einde toe kwam ik aan de zuidkant van de kaart, waar de posten op de flank van de Vesder lagen. De ene wat hoger en de andere wat lager wat het allemaal wel leuk maakte. Eens ik die posten meegepikt had liep ik terug naar de start want de tijd zat er op. De oostelijke posten ben ik dus niet aan toe gekomen. Daarmee stond ik in de stand ergens halverwege het pak. Om beter te scoren had ik waarschijnlijk voor de start de kaart wat beter moeten bekijken en wat doordachter te werk moeten gaan. Maar eigenlijk had ik daar niet bijster veel zin. Ik had gewoon zin om goed door het bos te lopen.

Daarna trok ik er nog een weekendje op uit naar Malta. Dat was het enige EU-land waar ik nog nooit eerder was. Ik wilde dus gewoon eens bekijken hoe het er daar uit ziet. Mijn strategie was dezelfde als altijd: op de kaart kijken waar de potentieel interessante paden zijn en daar op goed geluk wat ronddwalen.
Ik kan over Malta vrij kort zijn. Het is een rotplek om te lopen. Erg groot is het eiland niet, dus alles zit vrij dicht op elkaar. Hier en daar kan je langs de kust een interessant stukje vinden, maar daar houdt het mee op. Voor de rest loop je de hele tijd op kleine asfaltwegen. Veel verkeer is er niet, maar asfalt is niet echt waar ik van houd. Daarvoor hoef ik echt niet naar Malta te gaan. Op de kaart lijkt het alsof er hier en daar wel leuke doorsteekjes zijn, maar de overgrote meerderheid daarvan is privaat en de eigenaars zien er duidelijk niet graag volk over lopen. Zelden heb ik zo een grote concentratie aan bordjes “No Entry” en varianten daarop gezien. Voor mij zijn die bordjes het meest typische beeld van het eiland.
Ongetwijfeld is het eiland erg mooi als je een netjes in de sporen van de gids volgt. Maar om rond te zwerven vond ik het een grote tegenvaller. Mij zullen ze er niet direct terug zien.

Aan het einde van de maand trok ik dan nog een keer op uitstap. Voor een week ging ik eens Nagorno-Karabakh verkennen. Dat is een pseudo-onafhankelijk staatje in de zuidelijke Caucasus. Van oorsprong was het etnisch-Armeense enclave in Azerbeidzjan. Eind jaren ’80 toen de Sovjet-Unie begon te wankelen streefde die steeds harder naar autonomie of aansluiting bij Armenië. Toen de Sovjet-Unie dan echt uiteen viel, gaf dit aanleiding tot een oorlog tussen Armenië en Azerbeidzjan. Die liep niet bijster goed voor Azerbeidzjan aangezien Armenië erin slaagde een hele lap van Azerbeidzjan te bezetten. Die omvat de enclave Nagorno-Karabakh en redelijk wat omliggende gebieden. Inclusief een alles wat tussen Armenië en de enclave ligt. In de loop van 1994 werd een wapenstilstand gesloten, die sindsdien behoorlijk goed stand houdt. Af en toe wordt er nog wel wat hen en weer geschoten. Het laatste grote incident deed zich vorig jaar voor toen Azerbeidzjan in de buurt van de frontlijn een Armeense legerhelicopter neerhaalde. Een echt vredesverdrag werd nooit gesloten en daarmee is het vandaag nog steeds een van de zogenaamd bevroren conflicten in de voormalige Sovjet-Unie. De facto is het een onafhankelijk land, maar volgens het internationaal recht is het een deel van Azerbeidzjan.
De enige manier om in Nagorno-Karabakh te geraken is over land vanuit Armenië. De grens met Azerbeidzjan zit natuurlijk potdicht aangezien het een actieve frontlijn is. Daar mag je niet in de buurt komen en vermoedelijk is het wel verstandig om daar niet al te dicht bij de komen. Ik ben in elk geval op veilige afstand gebleven. Voor Azerbeidzjan is een bezoek aan Nagorna-Karabakh streng verboden. Iedereen die er geweest is beschouwen ze als een gevaarlijke separatist die illegaal hun land is binnen gedrongen. Er is nog een stukje grens met Iran, maar daar zijn geen grensovergangen. De hoofdstad Stepanakert heeft een splinternieuwe luchthaven (afgewerkt in 2012), maar aangezien die volgens het internationaal recht in Azerbeidzjan ligt, zou Azerbeidzjan toestemming moeten geven om erheen te vliegen. Je ziet van hier dat ze dat nooit gaan doen. Erger, Azerbeidzjan heeft duidelijk gemaakt dat ze elk vliegtuig dat in Stepanakert wil landen zullen neerschieten. Tot nu toe heeft niemand geprobeerd of ze dat echt menen. Maar waarschijnlijk maken ze daar geen grappen over. De enige mogelijkheid die over blijft is dus over land vanuit Armenië.
De busverbinding vanuit de Armeense hoofdstad Yerevan is gelukkig behoorlijk goed. Je bent alleen een paar uurtjes onder weg. Rond Yerevan is het een grote vlakte waar je in de verte de mythische berg Ararat ziet liggen. Hoewel je hem goed ziet liggen is hij van hieruit totaal onbereikbaar. Hij ligt namelijk aan de Turkse kant van de grens en de grens tussen Armenië en Turkije is hermetisch gesloten. Iets met een genocide van honderd jaar geleden waar ze het niet echt over eens geraken. Na een paar uurtjes kronkelt de weg de bergen in en mag je genieten van de Armeense rijkunsten van de chauffeurs.
Aan de grens tussen Armenië en Nagorno-Karabakh zijn de formaliteiten minimaal. De Armenen controleren totaal niet. Waarschijnlijk gaan die ervan uit dat je toch naar hun moet terugkeren en dus wat hun betreft even goed het land niet verlaten hebt. Nagorno-Karabakh registreert wel de buitenlanders die binnenkomen. Ik was dus de enige die even moest uitstappen om zijn paspoort te gaan tonen. Na een paar minuten kreeg ik het terug met een snipper waarop het adres van het ministerie van “Foreign Affairs” in Stepanakert staat. Daar moet je zo snel mogelijk je visum gaan aanvragen.
Bij aankomst in Stepanakert was dat dan ook het eerste dat ik deed. Opnieuw is de procedure erg vlot. Even aanbellen, het magische woord “visa” uitspreken, papiertje invullen, 3000 dram (ongeveer zes euro) betalen en in je paspoort staat een visum van Nagorno-Karabakh. Je krijgt er nog een papiertje bij dat je bij het verlaten van Nagorno-Karabakh moet afgeven (heb ik niet gedaan want ik ben gewoon over de bergen terug Armenië binnen getrokken) en waarop staat welke gebieden je mag bezoeken. Ik had op mijn aanvraag zowat het hele land opgesomd en kreeg dat zonder enige moeilijkheid. Daarmee waren mijn papieren in orde en kon ik aan rondzwerven denken.
Mijn plan was redelijk simpel. Er is een wandelroute, de Janapar Trail, die volledig Nagorno-Karabakh van noord naar zuid doorkruist. Een groot deel is gemarkeerd en van de rest bestaan gps-tracks waarmee de weg zou moeten kunnen vinden. Alles samen is die goed voor een kleine driehonderd kilometer wat me redelijk perfect leek voor de vijf dagen die ik had. Ik nam dus een taxi naar het zuidelijk uiteinde van de route. Dat is in Hadrut op een twintigtal kilometer van de Iraanse grens. Tegen dat ik daar was zat de dag er bijna op. Ik had nog net tijd om een paar kilometer het dorpje uit te trekken en een plaatsje te vinden voor mijn slaapzak.
De wandelroute was een echte meevaller. De hele tijd loop je over erg rustige karrensporen, onverharde wegen en smalle paden doorheen de bossen. Zo laat op het jaar waren de meeste bomen natuurlijk bladerloos. Hier en daar stond er wel nog eentje prachtige kleuren tentoon te spreiden, maar meestal was het een vrij droge, dorre bedoening. Ik had het grote geluk van een week uitgekozen te hebben met prachtig weer. Bijna de hele tijd liep ik onder een strakblauwe hemel.
In de valleien liggen meestal de dorpen omgeven door velden. Landbouw lijkt me de belangrijkste bezigheid te zijn, want in die dorpen is behalve een klein winkeltje meestal niet veel te vinden. Eens je dan wat hoger in de bergen komt trek je meestal doorheen bossen met allemaal kleine, droge, knoestige boompjes. Een slaapplaats vinden bleek ook nooit enig probleem te zijn. Eens je buiten de dorpen bent is er altijd wel een rustig hoekje voor een slaapzak waar geen mens je ooit zal vinden.
Tijdens de tweede dag passeerde het pad tussen Karintak en Shushi doorheen een schitterende canyon. Dat was waarschijnlijk het meest spectaculaire stuk van de hele tocht. Het pad kleeft er dikwijls tegen de flanken en slingert wat van flank naar flank. Hier en daar heb je ook een prachtig oud stenen brugje waar je over moet. Dikwijls zien die er uit alsof ze elk moment kunnen instorten, maar aangezien ze duidelijk al een hele tijd overeind staan moet je volgens mij al echt pech hebben dat ze dat zouden doen net op het moment dat je erover stapt. Ook in die canyon is de magistrale Umbrella Waterfall. De parapluwaterval en die heeft haar naam zeker niet gestolen. Beeld je een halve paraplu in die tegen de rotswand plakt en waar het water af stroomt. Zo ziet het er effectief uit.
Na de canyon kwam ik dan in Shushi. Dat is de oude hoofdstad van Nagorno-Karabakh. Het is een erg bevreemdende stad. Grote stukken zijn verlaten en bestaan enkel nog uit ruïnes met hier en daar een bewoond huis. Andere wijken zijn wel bewoond en daar is gewoon verkeer en dagelijkse drukte. In een bepaalde straat stonden aan weerskanten identieke appartementsblokken. Dat aan de rechterkant lag helemaal in puin en enkel het skelet stond nog overeind. Dat aan de linkerkant was gewoon bewoond. De oorlog met Azerbeidzjan heeft hier duidelijk zware sporen nagelaten.
Eens voorbij Shushi kom je in de buurt van Stepanakert. Dat is veruit het drukste stuk en volgens mij ook het minst interessante. Ik zorgde dat ik er snel voorbij was. Een paar dorpen verder was het dan terug een en al rust. De route vervolgt er zijn weg over de bergruggen op weg naar het noorden.
Het hoogtepunt van de derde dag was voor mij de burcht van Kachaghakaberd. Het enige dat nog over schiet is een rotspunt vanwaar je een verbluffend uitzicht hebt over de omgeving. Daarop stond ooit een burcht met de reputatie van oninneembaar te zijn. Aan de rotspunt te zien kan ik dat erg goed geloven. De burcht is helemaal vernield en er schieten nog maar een paar stenen van over, maar de locatie is nog steeds even indrukwekkend.
Hierna worden de paden wat zeldzamer en gebeurt het iets regelmatiger dat de enige optie het volgen van de weg doorheen van de vallei is. Via zo een weg kom je dan aan Vank waar ik op het einde van de dag nog de klim naar het klooster van Gandzasar maakte. Dergelijke mooie kloosters zijn eigenlijk wel het laatste dat ik in Nagorno-Karabakh zou verwachten. Maar ze zijn er toch maar mooi.
De vierde dag was dan de minst interessante omdat ik erg lang in de valleien en op al dan niet verharde wegen zat. Tussen Vaghuhas en Dadivank is het meest saaie stuk van de volledige Janapar Trail. Dat is een deel van de noord-zuidweg die de ruggengraat van Nagorno-Karabakh uitmaakt. Een deel ervan was glimmend zwarte asfalt waar de pek hier en daar nog maar half gesmolten was. Verder werd het dan ooit-in-tijden-van-de-Sovjets-goede-kwaliteit-asfalt. Ze zijn de weg duidelijk aan het heraanleggen om naar het noorden ook een vlotte doorgang naar Armenië te hebben. Over een paar jaar zou het wel eens bijzonder onaangenaam kunnen worden om daar te lopen. Nu gaat het nog. Dat ze de route naar Dadivank laten lopen begrijp ik dan weer wel heel goed. Er ligt daar nog een prachtig klooster dat het uitzicht over het dorp volledig domineert. Dat ze je over de weg sturen snap ik ook volledig want de vallei zijn daar van die loodrechte rotswanden die je echt niet veel keuze laten.
Na Dadivank trek je dieper de bergen in en wordt het nog desolater dan tevoren. In dit stuk van Nagorno-Karabakh liggen de bergen ook bezaaid met spookdorpen. Soms staan er nog overblijfselen van een honderdtal huisjes waar nu niemand meer loopt. En soms staan er tussen al de ruïnes nog een handvol die wel nog bewoond zijn. Geen idee wat die mensen bezielt om daar te blijven.
In de valleien zie je ook nog sporen van vulkanisme uit lang vervlogen tijden. Hoog aan de rotswanden zie je regelmatig de typische kolommen van basalt. Ook zijn er een paar warmwaterbronnen die duidelijk de grote attractie van elke vallei vormen. Er is een soort van zwembadje rond gemaakt dat ervoor zorgt dat het water niet zomaar wegloopt. Daar kan je dan een beetje in zitten dobberen.
Wanneer je in deze regio van vallei naar vallei doorsteekt heb je de veruit meest afgelegen stukken van de Janapar Trail. Je kan gerust een halve dag onderweg zijn en niemand tegen komen.Voor mij waren dat eigenlijk de mooiste stukken. Samen met die canyon van een paar dagen eerder. Daar in de bergen was ook de enige keer dat ik mijn tent gebruikte. Regen was het probleem niet, maar als je op 2300 meter hoogte vol in de wind zit is de extra bescherming wel welkom. De andere nachten sliep ik zoals meestal gewoon in open lucht. Eigenlijk wordt dat afgeraden omdat in het gebied beren en wolven voorkomen, maar daar heb ik totaal niets van gemerkt.
Op mijn laatste dag kreeg ik ook nog even de obligate controle van overijverige militairen. Terwijl ik doorheen een dorpje liep hielden die me tegen en vroegen me vermoedelijk wat ik daar liep te doen. Ik schrijf vermoedelijk want communiceren is daar niet zo heel eenvoudig. Bijna iedereen is er tweetalig. Als je geen Armeens spreekt zullen ze je met veel plezier in het Russisch verder helpen. Uit hun uitleg begreep ik dat ze mijn kaarten nogal verdacht vonden en dat ik mee moest naar de politie. Dat bleek een paar honderd meter verder te zijn en ze wandelden wel even met mij mee tot daar. Ik heb geprobeerd om ze van de geneugtes van lopen in plaats van wandelen te overtuigen, maar daar was ik niet echt succesvol in. Wandelen werd het.
In het politiebureau toonden ze me dan even aan een peet achter een bureau. Die deed eerst even gewoon door waarmee hij bezig was en begon dan een hele discussie met die twee militairen. De toon klonk niet bijster vriendelijk en de militairen hoorde ik af en toe verdedigend het woord “karta” (of iets dat er verdacht hard op gelijkt) gebruiken. Vandaar dat ik vermoed dat mijn kaarten de trigger waren om als verdacht gelabeld te worden. Na een paar minuten kwam een van beide militairen erg timide bij mij en maakte me duidelijk dat ik verder mocht. Ik heb niet eens mijn paspoort moeten tonen. Vermoedelijk waren ze bij de politie niet van plan zich extra werk op de hals te halen en vonden ze het feit dat ik kaarten bij had helemaal niet zo verdacht. Hoe moet ik anders de weg vinden? De militairen waren daarna nog zo vriendelijk om me een lift aan te bieden. Ze moesten toch dezelfde richting uit. Ik heb vriendelijk bedankt. Te voet is veel leuker.
Tegen het einde van mijn tocht trok ik door de bergen Armenië binnen. Op de col die de grens vormt stond ik net voor zonsondergang wat me een paar erg mooi gekleurde uitzichten opleverde. Het was er vooral een nogal koude bedoening. De col lag op 2500 meter hoogte terwijl aan de Armeense kant een vlakte op meer dan 2000 meter hoogte lag waar de wind natuurlijk vrij spel had. Van de grens stond ik erg snel in Vardenis vanwaar ik de volgende ochtend de bus terug naar Yerevan nam.

Nagorno-Karabakh was voor mij een echte ontdekking. Het is een prachtig gebied waar je niet direct veel toeristen riskeert tegen te komen. Hoewel de politiek situatie een geval apart is, heb ik daar ter plaatse eigenlijk niks van gemerkt. Hier en daar zie je wat restanten van de oorlog die er gewoed heeft, maar zelfs dat is erg beperkt. Ik vind dat je op de Balkan veel meer met je neus op dat verleden gedrukt wordt. Ik kan absoluut aanraden de regio eens te gaan verkennen.

Posted in Nieuwsbrief | Leave a comment

Nieuwsbrief oktober 2015

Zo tegen het einde van het seizoen zette ik zowaar nog een reeks wedstrijden op het programma. Nu ik toch een pak minder wedstrijden loop dan vroeger begint dat toch een zeldzaam iets te worden. In eerste instantie was het allemaal niet bijster serieus. Zo deed ik met het werk mee aan de Ekiden in Brussel. Dat is wel eens leuk maar erg uitdagend is het niet. Door een late afzegging liep ik twee keer. De eerste keer was als eerste man in onze derde ploeg. We waren erg laat naar de start afgezakt waardoor we ergens ver achteraan stonden. Ik liep dus de hele tijd te slalommen tussen tragere lopers. Het is vooral moeilijk om dan een goed tempo te vinden. De tweede keer liep ik als laatste man in onze tweede ploeg. Het leuke daaraan was dat de laatste lopers van onze andere ploegen maar een paar minuten eerder vertrokken waren. Ik moest vier, respectievelijk zeven minuten dichtlopen. Dat werd dan direct het doel. Erg lang duurde het niet want halverwege de ronde had ik beiden al te pakken. Van dan was het gewoon binnen bollen naar de aankomst. Met de ploeg liepen we 3u40, wat duidelijk maakt dat hoegenaamd niet allemaal afgetrainde lopers zijn.

De dag erna trok ik naar Luik om er de Ultra Tour de Liège te lopen. Daarin loop je in een grote ronde van 65 kilometer rond Luik, onderweg zoveel mogelijk bosjes, helling, terrils en trappen passerend. Het is zeker niet de mooiste wedstrijd op de kalender, maar heeft wel iets. En het was vooral een goede gelegenheid om wat mensen nog eens terug te zien.
Na een paar kilometer vormde zich een kopgroepje van twee man. Dat waren Mathieu en ik. Tot mijn verrassing voelde ik die twee korte stukjes van de dag tevoren in Brussel toch nog wat in mijn spieren. Blijkbaar loop je toch altijd dat tikkeltje sneller dan je zou willen tijdens dergelijke evenementen. Na ongeveer een uur lopen kwam Dac terug uit de achtergrond. Kort daarna liet ik Mathieu en Dac lopen. Ergens rond kilometer dertig net voor we een lang stuk RAVeL hadden kwam Flamboyant uit de achtergrond terug tot bij mij. We liepen samen een stukje maar op de RAVeL lukte het mij om goed tempo te maken terwijl hij helemaal terugviel. Het was voor hem het punt waar zijn spieren totaal begonnen te verkrampen. Door de vrij harde ondergrond en de vele trappen is dat iets wat tijdens deze wedstrijd wel vaker voorkomt. Vooral bij trailers die een beetje allergisch zijn aan asfalt.
Ik ben ook een beetje allergisch aan asfalt en rond kilometer veertig bij het oversteken van de Maas had ik het ook aan mijn rekker. De beenspieren verkrampten totaal en ik geraakte met moeite nog vooruit. Gelukkig was er een beetje later een bevoorrading waar het bier goed was. Ik besloot er te blijven hangen en niet verder naar de aankomst te sukkelen. De twee volgende weekends had ik andere wedstrijden gepland die veel interessanter waren en die ik liever niet op het spel wilde zetten. Ik beperkte me de rest van de wedstrijd tot wat voor het entertainment zorgen aan de bevoorradingen. Het is eens iets anders.

De week erna had ik dan een echt interessant wedstrijdje uitgekozen. Het ging om de Mourne Skyline. Daarvoor moest ik helemaal naar Noord-Ierland. Ik was eerlijk gezegd nog nooit in Noord-Ierland geweest en heel interessant leek het me daar niet. Misschien wat glooiende heuvels, maar veel spannends zag ik daar eigenlijk niet gebeuren. Tot ik zag dat ze er een wedstrijd van 35 kilometer hebben met 3370 positieve hoogtemeters. Huh, dat is wel erg veel hoogteverschil voor een dergelijke afstand. Bij ons ga je niets vinden dat zelfs maar in de buurt komt. De helft van dat hoogteverschil is zo ongeveer het pittigste dat je in de Ardennen tegen zal komen. Misschien moet ik dat toch maar eens gaan bekijken. Vandaar dat ik even naar Ierland vloog om die wedstrijd te lopen.
De wedstrijd maakte de verwachtingen die ik ervan had helemaal waar. Je start in Newcastle op de stranddijk. Dat is dus letterlijk op zeeniveau. De eerste kilometers gaat het over brede paden doorheen een bos en dan gaat het stevig omhoog over een stenig pad naar een zeshonderd meter hoge col. Ik liep daar ergens in de tweede helft van de top tien. De weergoden werkten niet echt mee want we liepen de hele tijd in de wolken. Veel uitzicht was er dus niet aan. Daarna volgden we een paar kilometer het Brandy Pad. Dat was een vrij vlak stuk tot Hare’s Gap. Van daar begin je dan aan een passage over Slieve Bearnagh en Slieve Meelmore. Beide toppen halen een dikke zevenhonderd meter hoogte en beide keren betekende het recht omhoog en dan recht omlaag. De hellingen waren behoorlijk interessant. Afwisselend waren het rotsige stukken waarop je ondanks de vochtige omstandigheden goed grip had en grashellingen. Die grashellingen waren door een mengeling van gras, water, een beetje modder en een indrukwekkende laag schapenstront dikwijls spiegelglad. In de afdaling van Slieve Meelmore ging ik zo eens behoorlijk spectaculair onderuit. Het leverde me een van onder tot boven geschaafde arm op met het nodige bloed om het geheel wat indrukwekkend te maken. Het was gelukkig allemaal oppervlakkig dus veel last had ik er niet van.
Na Slieve Meelmore loop je dan eens echt helemaal omlaag naar een meertje. Dat is goed voor een lange snelle afdaling. Daarna draai je terug richting aankomst en stuurt het parcours je terug naar de bergtoppen. Het verhaal blijft daarbij hetzelfde. Steeds is het recht omhoog en recht omlaag over ofwel rotsen ofwel glibberig gras. Achtereenvolgens moesten we Slieve Loughshannagh, Slieve Meelbeg, Slieve Meelmore en Slieve Bearnagh over.
Teruglopen deden we via een kam parallel met het Brady Pad dat we eerder tijdens de wedstrijd liepen. Op de kaart zag dat er een vrij goed beloopbaar stuk uit. In praktijk viel dat nogal hard tegen en heb ik er toch redelijk hard op afgezien. De weergoden hadden in de loop van de dag wel hun kar gekeerd en we werden hier op een paar schitterende uitzichten getrakteerd.
Als allerlaatste top wachtte ons nog Slieve Donard. Die is met zijn 850 meter de hoogste van Noord-Ierland. Opnieuw was het een verhaal van recht omhoog en recht omlaag. Vanaf Slieve Donard is het dan de hele tijd afdalen naar de finishlijn in Newcastle.
De hele wedstrijd lang kon ik mijn positie goed handhaven. Af en toe gebeurde het wel eens dat ik door iemand werd bijgehaald, maar dat compenseerde ik dan wel weer door zelf iemand anders voorbij te lopen. Uiteindelijk eindigde ik daarnee als achtste in 4u23. Een resultaat waar ik toch wel tevreden mee mag zijn.
Noord-Ierland was in elk geval een leuke meevaller. Blijkbaar hebben ze daar toch een paar interessante bergketens. Die zijn niet zo heel groot of heel hoog, maar je vindt er toch mooie uitzichten en kan er gerust een tijdje in ronddwalen.

De week erna werd het nog serieuzer. Ik trok naar Andorra om er Els 2900 te lopen. Het idee is vrij simpel. Tijdens de wedstrijd passeer je alle toppen in Andorra van meer dan 2900 meter. Daar zijn er zeven van en ze liggen voor het gemak een beetje verspreid over het hele land. Dat zorgde voor een parcours van zeventig kilometer met 6700 positieve hoogtemeters. In het verplicht materiaal zat vooral wat klimgerief wat aangeeft dat het parcours waarschijnlijk niet bijster lichtlopend zal zijn.
De start van de wedstrijd werd gegeven aan de Refugi dels Estanys de la Pera. Die zit al een stukje in de bergen. Met alle deelnemers samen maakten we eerst de wandeling daarheen. Alle deelnemers betekent veertig personen. Je moet je daar dus geen hele volksverhuizing bij voorstellen. Het aantal deelnemers dat toegelaten werd was gewoon heel beperkt. De start was om middernacht wat natuurlijk betekent dat we in eerste instantie in het donker moesten lopen.
De eerste kilometers gingen bij mij behoorlijk moeizaam. De benen wilden wel, maar ik moest direct naar adem happen. Dit jaar heb ik amper op hoogte gezeten en waarschijnlijk liet het gebrek aan acclimatisatie zich wat voelen. Met een start op meer dan 2300 meter hoogte mag dat eigenlijk niet verwonderen. De route ging direct omhoog naar de kam die we volgden naar de top van de Pic de la Porteletta. Met 2905 meter hoogte was dat de eerste van de zeven toppen waar de wedstrijd naar genoemd is. Op de graat moesten we na een paar kilometer al behoorlijk ferm beginnen klauteren over rotsblokken. Daarmee was de toon direct gezet. De rest van het parcours zou er niet simpeler op worden. Na een hele tijd over die rotsige graat te lopen volgt een wat vlakker stuk en een lange afdaling. Het naar adem happen beterde bij mij gelukkig en ik kon redelijk wat volk inhalen. De afdaling brengt je helemaal het bos in. Dan volg je de hele tijd een pad dat tegen de wand slingert en overdag waarschijnlijk spectaculaire uitzichten oplevert. In de totale duisternis viel er niet zo heel veel te zijn.
Uiteindelijk kom je dan in Canillo waar zich de eerste grote bevoorrading bevindt. Het is ook de plaats waar je het klimharnas moet aantrekken, de via ferratakit meenemen en de klimhelm opzetten. De reden is redelijk evident: we verlieten Canillo langs een via ferrata. Deze was geneutraliseerd zodat je daar geen haast over hoefde te maken. Ik moet zeggen dat het de eerste keer was dat ik een via ferrata in totale duisternis afwerkte, maar eigenlijk gaat dat zonder enig probleem.Het was zelfs een leuke via ferrata met hier en daar een lichte overhang.
Na de via ferrata mochten we gelukkig een deel van het materiaal achterlaten en ging de wedstrijd gewoon verder. Nog verder omhoog over een wat vervelend stuk met veel lang gras tot je op een interessante graat komt was dat. Eens op de graat kwam de zon op en kregen we een fantastisch uitzicht op de omliggende toppen en valleien.
Via de graat, die hier en daar wel wat technisch wordt maar zeker niks onoverkomelijks, loop je naar de top van de Pic de l’Estanyo. Deze is 2915 meter hoog en daarmee is de tweede top van meer dan 2900 gescoord. Tussen de Pic de l’Estanyo en de Pic de la Serrera (met zijn 2913 meter hoogte de volgende 2900-er die je passeert) zitten een paar technische stukken en vooral een paar stukken met ijs. Met veel ijs. Crampons waren niet verplicht, maar wel aangeraden en ik had ervoor gekozen om geen mee te nemen. Dit zijn de stukken waar ze bijzonder goed van pas zouden gekomen zijn. De paar lopers die crampons bij hadden konden de ijsstukken gewoon over lopen. De andere, waaronder ik, moesten proberen om zitten op het ijs zich vast te grijpen aan de paar rotsen die uit het ijs staken en zo verder te geraken. Dat gaat niet snel, is hier en daar wel eens spannend, maar uiteindelijk geraak je er wel over.
Aan Pic de la Serrera moesten we een stukje heen en terug. Dat leverde geen enkel probleem op en liet ons toe om te kijken waar de andere lopers ergens zaten. Het was vooral heel duidelijk dat de onderlinge tijdsverschillen al gigantisch groot waren. Kort gezegd: ik heb er eigenlijk niemand gezien die ik niet gewoon op de stukken rechtdoor ook kon zien. Vanaf Pic de la Serrera volgt dan een lange afdaling. In eerste instantie steil omlaag doorheen een steenveld, maar dan doorheen de vallei over een snel en goed beloopbaar pad. Het was een hele afwisseling om plots een paar kilometer gewoon te kunnen lopen zonder je handen te gebruiken.
Zo daal je tot de bevoorrading aan Sorteny. Na die bevoorrading volgt een stuk Andorrees plat. Dat is totaal niet plat, maar er zijn ook geen gigantische hoogteverschillen. Zo gaat het tot aan de voet van de Pic de Font Blanca. Die is 2903 meter hoog en dus moeten we daar over passeren. Het parcours is zoals meestal simpel: recht omhoog naar de top. Het eerste stuk was scrambling doorheen een natte geul. Gelukkig hing er een vast touw om ons wat te helpen. Daarna volgde een steenveld omhoog kruipen. Dat was zo een plaats waarvan ik blij ben dat er niet te veel volk kort voor mij zat. Als daar wat te veel volk in passeert komen er gegarandeerd een paar ferme rotsblokken omlaag en ben je de kop in. Een goede reden om het aantal deelnemers aan de wedstrijd erg beperkt te houden. Het laatste stuk is dan steil omhoog, maar over een pad. Simpel in vergelijking met wat ervoor kwam. Daarmee waren vier van de zeven 2900-ers binnen. De andere drie zitten gelukkig allemaal erg dicht bij elkaar. Van de top daal je over een niet al te moeilijke graat naar een col, dendert omlaag over een screeveld en volgt dan nog een hele tijd een pad van wisselende kwaliteit tot de bevoorrading in Arcalis.
Ik bleef er een twintigtal minuten om terug op krachten te komen. Dat was wel nodig, want het zware parcours was iedereen ferm aan het slopen. In het volgende stuk kreeg ik door dat ik misschien op voorhand het parcours wat beter had moeten bekijken. Ik ging ervan uit dat we gewoon een graat op zouden gaan, de laatste drie toppen scoren en dan dalen naar de aankomst. Dat was geografisch in elk geval de meest logische weg. Het begin kwam overeen met mijn verwachtingen. We ging eerst geleidelijk omhoog doorheen het skigebied. Dan recht omhoog over een steenveld naar de graat. Tot mijn verrassing ging het aan de andere kant van de graat direct weer omlaag over erg leuke scree. Dat is leuk om te lopen, maar alle moeizaam gewonnen hoogtemeters waren daarmee terug verloren.
OK, blijkbaar gaan we vanuit de volgende vallei naar die resterende toppen. We liepen een meertje rond en aan de overkant van de vallei ging het inderdaad terug omhoog. Opnieuw was het een erg rottig steenveld opkruipen. Het was er zo eentje waar de stenen absoluut niet meewerken en graag omlaag schuiven terwijl je steun zoekt om omhoog te gaan. Ook een plaats waar je absoluut niet met al te veel lopers tegelijk over wilt passeren tenzij je het leuk vindt om voor vallende rotsblokken weg te duiken. Bovengekomen op de graat steeg vlak voor mijn neus een gigantische gier op. Wow, dat was echt wel indrukwekkend.
Verder werd ik opnieuw zwaar bedrogen in mijn verwachting. In plaats van de graat te volgen naar de top, ging het opnieuw terug recht omlaag aan de andere kant. Oeps. Heel die klim was blijkbaar terug voor de lol. De volgende vallei bleven we dan nog een hele tijd volgen tot het punt dat ik me begon af te vragen wanneer we ooit nog eens omhoog zouden gaan. Er moesten nog drie toppen beklommen worden, weet je wel.
Dat moment kwam er gelukkig uiteindelijk. En toen het kwam was het natuurlijk terug recht omhoog naar een col. Auw. Eens je in de col bent loop je langsheen een erg mooi meertje over een pad voor rotsblokken en dan word je richting top van de Pic de Medacorba gestuurd. Er zitten een paar mooie klauterstukken in om daar te geraken. Vanaf de top volg je kort een adembenemende graat en dan is het al klauterend omlaag. Nog twee toppen te gaan. Tijdens die afdaling viel voor mij de nacht. De laatste twee toppen zou ik in het donker moeten doen.
De Roca Entravessada beklim je van de noordkant. Die noordkant ligt behoorlijk vol met sneeuw. Javier, waarmee ik al een hele dag haasje over aan het spelen was vond het gevaarlijk glad, maar zelf vond ik dat je er uitstekende grip op had. Mogelijk heeft het wat met de schoenkeuze te maken en had je gewoon schoenen met een degelijk profiel nodig. Ik klom in elk geval er vlot over de sneeuwvelden tot de top. Hier en daar zaten er wat vaste touwen in die wel van pas kwamen.
Eens op de Roca Entravessada wacht nog enkel de Comapedrosa. Die is met zijn 2942 meter de hoogste top van Andorra. Een waardige afsluiter van de wedstrijd. Tussen de Roca Entravessada en de Comapedrosa loopt een spectaculaire graat, de Cresta de Malhiverns. Die was echter te riskant om in het donker te doen. Enkel de eerste negen lopers waren snel genoeg om er over te mogen. Al de rest werd rondgestuurd. Daar zat ik dus ook bij. Dat betekende eerst wat omlaag klauteren met wat vaste touwen om ons te helpen. Het laatste stuk was dan nog wat omlaag knoeien over een vuil instabiel steenveld.
Aan de andere kant moet je dan omhoog over een helling met een mix van sneeuw en stenen. Geen van beiden waren erg stabiel. Daar hoop je dan vooral dat er geen stenen omlaag komen want in het donker zou je ze totaal niet zien afkomen. Het laatste stuk naar de top van Comapedrosa was dan voor de verandering wel eens erg eenvoudig. Daarmee waren alle zeven de toppen in de pocket en restte nog enkel de afdaling naar de Refugi de Comapedrosa, waar de aankomststreep lag. Het was een erg eenvoudige afdaling waar je het grootste deel van de tijd goed tempo kan maken.
Uiteindelijk finishte ik als twaalfde in een tijd van dik 21 uur. Slechts 22 lopers haalden de aankomst. Hoewel het deelnemersveld volledig uit erg ervaren lopers en alpinisten bestand is het dus maar een dikke helft die de aankomst haalde. De scherpe tijdslimiet van 24 uur heeft daar wel het een en ander mee te maken. Els 2900 is in elk geval een fantastische wedstrijd. Het is moordend zwaar en enorm technisch. Het is met voorsprong de meest technische wedstrijd die ik ooit liep. En ik heb toch al enige ervaring wat dat betreft. Veel andere wedstrijden van dat kaliber bestaan volgens mij gewoon niet. Ik ben heel blij dat ik erbij was voor deze eerste editie. Volgend jaar probeer ik hem opnieuw te lopen, maar ik vrees dat na het succes van dit jaar ik niet de enige zal zijn die zich probeert in te schrijven.

Posted in Nieuwsbrief | Leave a comment

Nieuwsbrief semptember 2015

Het eerste wat ik in september uitspookte was nog eens een wedstrijdje lopen. Daarvoor trok ik terug het Kanaal over naar het Engelse Lake District. Daar werd de eerste editie van de Lakes Sky Ultra georganiseerd. De cijfertjes waren redelijk gelijkaardig aan de Schotse Glen Coe die ik in augustus liep: een dikke vijftig kilometer met ongeveer 4500 positieve hoogtemeters. Op de Iers-Britse eilanden zijn een paar interessante evoluties aan de gang met erg uitdagende wedstrijden die hier en daar de kop opsteken.
Voor de wedstrijd had het Lake District een paar weken lang stralend weer gekend. Omdat het Engeland is bleef dat natuurlijk niet duren en de dag voor de wedstrijd begon het te regenen. Die regen zou niet echt meer stoppen tot kort na de wedstrijd. Daarmee kreeg de loop direct een veel guurder tintje. Van bij de start regenjassen aan. Die start is in Ambleside en van daaruit loop je Dove Crag en Fairfield op. Erg land duurde het niet voordat we in de mist terecht kwamen. Ik weet van eerdere gelegenheden dat het daar heel mooi is, maar daar heb ik dus niets van gezien. In tegendeel. De wind deed goede pogingen om ons de berg af te waaien en de regen veranderde af en toe eens in hagel. Daarmee was de toon gezet voor de rest van de dag. De afdaling naar de Grisedale Tarn ging ook vlot en toen werd het iets serieuzer. Recht omhoog op de flank van Dollywagon Pike. Dat voel je toch even in de kuiten.
Eens je daar boven bent blijf je boven op de heuvels en volgt de kam tot Helvellyn. Nog steeds mist en nog steeds niets te zien. Dit is een erg vaak gewandeld stuk en je hebt er een erg breed pad. Van Helvellyn gingen we dan omlaag langs Swirling Edge. Daar krijg je voor het eerst wat lichte scrambling te verwerken. Met al die regen bleken de rotsen spiegelglad te zijn. Dergelijke passages zijn zo al niet mijn sterkste punt en als ze zo glad zijn, ben ik nog trager dan anders. Ik werd door een paar lopers bijgehaald en voorbijgelopen die me echt verbaasd lieten staan door de snelheid die ze daar ontwikkelden. Het kan dus om daar snel over te gaan maar vraag me niet hoe.
Na wat gepruts in de vallei moet je dan helemaal terug Helvellyn op. Deze keer gaat dat via Striding Edge. Daar zit terug wat lichte scrambling in en het was opnieuw balanceren op gladde rotsen. Met aan beide kanten een vrij indrukwekkende afgrond voor de goede orde. Bij mij ging dit toch wat beter dan de afdaling via Swirling Edge. Als je terug op Helvellyn staat moet je daar natuurlijk terug af geraken. Dit deden we via de oostgraat van Nethermost Pike. Deze afdaling was ook erg de moeite. Een paar stukken met snel gras, nog wat messcherpe graten en supersnelle screevelden wisselden elkaar af. Daarmee kom je beneden in het Grisedale en natuurlijk mag je aan de andere kant van de vallei gewoon terug recht omhoog.
Daar stond een beklimming van de Saint Sunday Crag via Pinnacle Ridge op het programma. Ik was vergeten hoe steil de flank is, maar om aan de voet van Pinnacle Ridge te komen moet je echt wel op handen en voeten omhoog kruipen als je uit deze richting komt. Aan de voet van Pinnacle Ridge volgde een erg teleurstellend moment. Door de weersomstandigheden besloot de organisatie Pinnacle Ridge (een scramble van graad III, dus zelfs droog niet evident te noemen) uit de wedstrijd te halen. Volgens mij een terechte beslissing, maar toch jammer. In plaats daarvan moesten we aan de voet van Pinnacle Ridge contouren om zo wat verder naar het noorden terug op het parcours uit te komen. Met een afdaling die erg lang aanvoelde kwamen we in Patterdale tercht. Daarna volgde een hele lus rond tot het Kentmere Reservoir. Voor mij was dat een gebied waar ik nog nooit eerder was. We bleven vooral in de mist ronddwalen dus erg veel heb ik er nog altijd niet van gezien. Ik herinner me gewoon dat
het allemaal veel verder was dan ik dacht.
Helemaal op het einde mochten we vanaf de Kirkstone Pass nog even Red Screes opklauteren. Die helling was afgrijselijk steil met een paar interessante scramblingstukken. Een paar daarvan waren doorheen erg gladde geulen wat met al die regenval voor een extra uitdaging zorgde. Van de top van Red Screes was het gewoon nog een snellopende grasafdaling naar Ambleside. Daar kan je nog eens tempo maken. Uiteindelijk kwam ik als dertien toe na 9u22. Op dergelijke parcours helpt mijn achillespees niet altijd mee en zeker in de tweede helft heeft me dat toch behoorlijk laten vertragen. Erg sterk is mijn prestatie dus niet. Ondanks het slechte weer was het een magnifieke wedstrijd. waar ik veel plezier aan heb beleefd. Ik kan hem zeker en vast aanraden.

Twee weken later moest je me in Zwitserland gaan zoeken. Samen met Siebrig werkte ik er een paar trainingen in de buurt van Luzern af. Op zaterdag hielden we het redelijk kalm en bleven redelijk laag. Uiteindelijk werd het een toer van een paar uurtjes op en rond de Sonnenberg.
Op zondag gingen we het dan iets hoger zoeken. We liepen eens Pilatus op en af. Ook in Zwitserland was het weer niet denderend. Het bleef de hele tijd betrokken, wat natuurlijk niet zo interessant is als je wat hoogte opzoekt. Die Pilatus is eigenlijk wel een leuke berg om op te trainen. De aanloop doorheen het bos is vrij lang, maar eens je daar boven uit komt zijn het erg steile flanken. Het deed me zelfs wat aan de Dolomieten denken.
Omhoog gingen we langs de oostkant. Daar zitten een paar erg leuke rotsige stukken, waar de kabels ter ondersteuning niet helemaal er voor niets hangen. Op veel andere plaatsen vraag ik me af waarom ze die er gehangen hebben, maar hier zag ik wel het nut ervan in. Op de top blijf je best niet te lang rondhangen. Het loopt er vol met toeristen die met het treintje omhoog zijn gekomen. Ongelooflijk hoe druk het er kan zijn.
Tijdens de afdaling kozen we dan voor een route wat meer naar het westen. Die was ook wel leuk. Hier en daar was het behoorlijk glad maar het ging nog niet om er wat tempo te maken. Voor mij zijn dergelijke dingen wel eens een goede training. Bij ons kom je dat allemaal toch wat te weinig tegen op je loopparcours. Daarmee zat het Zwitsers uitstapje er ook op.

Vorig weekend moest je me dan weer in Noorwegen gaan zoeken. Die dagen haperde het fysiek terug wat bij mij, zodat ik me behoorlijk kalm hield. Lopen lukt wel, maar ik probeerde niet te overdrijven. Ondertussen gaat het gelukkig terug een stuk beter. Zoals gewoonlijk wanneer ik daarheen ga, liep ik een weekend rond in Østmarka. Vanaf mijn klassieke startpunt Lillestrøm liep ik eerst zuidwaarts om dan met een ruime boog op zondag uiteindelijk in Mortensrud uit te komen. Van daar kan je met metro en trein vlot terug naar de luchthaven.
Voor de afwisseling had ik hier eens stralend weer. De eindeloze afwisseling van heuvels en meren was daarmee nog mooier als altijd. Nu de herfst er aan komt beginnen vele bomen al van kleur te wisselen. Samen met een blauwe lucht en windstille dagen zorgde dat voor prachtige weerspiegelingen op het water. Je kon er zo een postkaartje van maken. Tot mijn grote schande moet ik bekennen dat dit de eerste keer van het jaar was dat ik in Scandinavië kwam, maar het was het dubbel en dik waard.

Posted in Nieuwsbrief | Leave a comment

Nieuwsbrief augustus 2015

In de loop van augustus trok ik er twee keer op uit. Een eerste keer was dat richting IJsland met het idee om daar twee weken rond te trekken.
Wie daarvan wat foto’s wil bekijken in plaats van heel de tekst te lezen kan dat op http://picasaweb.google.com/ptityeti/IJsland
IJsland is natuurlijk vrij groot en erg veel volk woont er niet en ik had geen flauw idee welke richting ik uit zou gaan en dus had ik nog veel minder een idee waar ik onderweg eten zou kunnen kopen.
De oplossing daarvoor is natuurlijk doodsimpel: je zorgt dat je nergens eten moet kopen. Langs de andere kant moet je dan natuurlijk wel eten voor twee weken in je rugzak krijgen. En dat nog eens de hele weg meesleuren ook. Ik ging voor een rugzak van veertig liter en daar alles in krijgen was een interessante puzzel. De uiteindelijke oplossing werd een viertal kilo gevriesdroogde maaltijden, twee en een halve kilo noedels, twee en een halve kilo Snickers en anderhalve kilo chocolade. Dat moest volstaan om veertien dagen lang te kunnen eten. Erg veel variatie in het menu had ik niet voorzien. Samen met tent, slaapzak, kookgerief, kledij… zat ik, zonder water, aan een rugzak van 17-18 kilo. Bijzonder weinig voor iemand die twee weken in volledige zelfvoorziening rondtrekt, maar toch te zwaar om mee te lopen. De eerste dagen zou ik me tot stappen moeten beperken en pas eens ik voldoende gewicht opgegeten had werd wat lopen een realistische optie.
De route bleef een heel vaag plan, maar ik zou starten met vanaf Reykjavik de bus naar het noorden te nemen en in zuidoostelijke richting wat door te steken tot ik ergens op de ringweg de bus terug kon nemen. Uiteindelijk werd mijn startpunt Bifrost. Niet dat daar veel te gebeuren valt, maar de busverbinding is behoorlijk vlot en je kan van daar vrij snel naar lege binnenland doorsteken.
De eerste dag liep ik doorheen een streek met nog erg veel landbouw. Dat komt erop neer dat in de vallei een onverharde weg loopt die toegang geeft tot een paar verspreide boerderijen. Op de heuvels kom je dan hier en daar een hekken tegen dat de schapen in het goede gebied moet houden. Ik heb er nog altijd geen idee van of je IJsland over afsluitingen mag kruipen, maar het lukt in elk geval zonder problemen. Tegen het einde van de dag begon ik de beklimming van de Ok en liet de bewoonde valleien achter mij. Ok is een gigantische vulkaan. De top haalt 1170 meter, maar de flanken zijn erg vlak en gelijkmatig. Dat geeft hem een diameter van ongeveer tien kilometer. De vulkaan kan je zonder enige moeilijkheid opstappen. Zelfs plaatsen om een tent te zetten vind je zonder grote moeite op een dergelijke flank. Vanaf ongeveer zeshonderd meter hoogte kom je in de sneeuw terecht. Des te beter. Dan kan je over de sneeuwvelden omhoog in plaats van over de vulkanische stenen een goede
plaats te zoeken om mijn voeten neer te zetten. Tegen dat ik wat hoogte begon te krijgen, kwamen wolken binnen drijven. In eerste instantie kon ik netjes tussen de wolken door nog wat rondkijken, maar in de buurt van de top was het een dichte mist waar ik mijn weg doorheen zocht. In de mist de top van een berg zoeken waarvan de helling zo heel flauw is, is een interessante uitdaging. Voortdurend zie je wel ergens een uitstekende rots die de top zou kunnen zijn, maar het uiteindelijk toch niet blijkt te zijn.
Hij bleek uiteindelijk aan de rand van een krater te liggen. Op dat moment was de mist al zo dicht dat ik niet eens de overkant van de krater zag. Van waar ik stond leek het me wel een mooie met sneeuw gevulde kom te zijn. Langs de oostkant liep ik dan de vulkaan af.
Ten oosten van Ok ligt de gigantische ijskap van Langjökull. Net ten zuiden daarvan ligt de kleinere Þórisjökull en tussen beiden ligt een col die me er op de kaart wel doenbaar uit zag. Of ik daar echt over zou kunnen was afwachten, maar ik wilde het in elk geval proberen. De eerste moeilijkheid bleek in de vallei die naar de col leidt te komen. Daarvoor moest ik een riviertje over. Meestal geen enkel probleem. Hier lag de rivier nog grotendeels onder een laag sneeuw en ijs bedekt. Dat grotendeels was ongeveer de helft van de rivier. De helft aan mijn kant. De overkant was sneeuwvrij. Ik kon dus over de sneeuw (in de veronderstelling dat het sneeuwpak dik genoeg is, wat ik van mijn kant totaal niet kan zien) tot halverwege de rivier waar ik dan in het water zou moeten stappen (waarvan ik absoluut geen idee heb hoe diep het is). Bijzonder tricky situatie. Het leek me wat te riskant en ik begon de rivier te volgen op zoek naar een betere oversteekmogelijkheid. Die kwam er
in de vorm van een plaats waar de sneeuwlaag tot een zandbank in de rivier komt. Als ik daar oversteek ben ik er ten minste gerust in dat ik aan de rand niet letterlijk door het ijs zak en kopje onder ga. De enige vraag is of de sneeuw dik genoeg is om mijn gewicht te dragen. Dat bleek gelukkig zo te zijn. Het resterende water bleek ook niet erg diep te zijn en zo geraakte ik toch veilig aan de overkant.
Voor de rest was de aanloop naar die fameuze col erg eenvoudig. Gewoon de vallei volgen. Hoe hoger je in de vallei komt hoe meer sneeuwvelden je over moet. De laatste helling van de col was een erg steil sneeuwveld, maar net op het randje van waar ik met loopschoenen nog over geraakte. Boven op de col zie je dan plots de vallei aan de andere kant. Wow. De hele vallei lag nog vol met sneeuw en ijs. Aan de meren die er volgens de kaart zijn, zag je dat de sneeuw goed aan het smelten was. Stukjes waren al sneeuwvrij waarmee het helblauwe water zichtbaar was, terwijl je elders zag dat de sneeuwlaag bijna weggesmolten was. De meren oversteken was in elk geval geen optie. Dan moet ik maar er rond. Dat lukte gelukkig zonder veel problemen al moest ik aan het verste meer hoog over de flanken. Tussen het meer en een rotswand was gewoon geen plaats.
Het zicht op de volgende vallei was terug een witte woestenij. Zover je kon kijken lag er sneeuw afgewisseld met nog wat van die meren die nog half met sneeuw bedekt zijn. Het leverde me meerdere uren baggeren doorheen de sneeuw en natte voeten op. Wat lager veranderde het landschap totaal. De sneeuw verdween en in de plaats daarvan kreeg ik een grijze vlakte van ruw vulkanisch zand. Deze stak ik dwars over op weg naar de Skjaldbreiður. Die Skjaldbreiður is nog eens een vulkaan in de stijl van de Ok: een gigantisch brede kegel. Naar de top stappen ging even simpel als op de Ok met het verschil dat ik hier helder weer had en dus de hele tijd kon zien waar ik heen ging. Ook hier was aan de top een mooie krater die ik eens volledig afstapte. Het uitzicht is er schitterend. Je ziet er zowel de uitgestrekte lavavlaktes als meerdere besneeuwde bergen en de witte schittering van de Langjökull.

Vanaf de Skjaldbreiður ging ik in oostelijke richting. Eens ik de berg af was kwam ik terug in een vlakte terecht, maar in tegenstelling tot de zanderige vlakte aan de noordkant van de vulkaan was deze volledig begroeid met mos en struikjes. Die vormden allemaal bulten waar ik geen echt efficiënte manier van voortbewegen vond. Uiteindelijk koos ik maar voor springen van bult naar bult. Mijn uitzicht verdween eens ik in grote wolken terecht kwam. Het leek op mist, maar volgens mij waren het stofwolken die door de wind over de vlakte gejaagd werden. Mist is gewoonlijk een stuk vochtiger en knarst een pak minder tussen de tanden.
Na een scherpe heuvelrug te kruisen stond ik dan plots voor een grote leegte die ik over moest. Het was een grijze vlakte bezaaid met stenen en grote rotsblokken waartussen valleien van grof vulkanisch zand liepen. Een mooie navigatie-uitdaging om dat te doorkruisen op kompas met een erg beperkte zichtbaarheid en een ondergrond waarop je onmogelijk een rechte lijn kan aanhouden. Ik mikte op een smalle gap tussen twee bergen die tien kilometer verder aan de overkant van de vlakte lagen. Bergen die ik natuurlijk niet zag liggen in die wolk.
De eerste van die twee bergen zag ik pas toen hij een paar honderd meter voor mij opdoemde. De vraag was dan natuurlijk welk van beide het was. Zit ik te ver naar links of te ver naar rechts? Op basis van de vorm dacht ik de linkse te pakken te hebben en boog wat af naar rechts. Toen ik wat dichter kwam vond ik de vorm toch meer op de rechtse lijken en veranderde van gedacht. Het tweede gedacht bleek het juiste te zijn en ik vond zonder verdere moeilijkheden de ongeveer honderd meter brede doorgang tussen beide bergen.
Van daar trok ik verder naar Geysir. Het koste me nog een paar uurtjes over een groen glooiend landschap en helemaal op het einde wat scrambling om een rotswand af te geraken. Geysir is een van de grote toeristische atracties van IJsland. Er was vroeger een grote geiser die de oorsprong is van het woord geiser. Die is al een hele tijd nauwelijks actief, maar vlakbij is er nog een tweede geiser, Strokkur genaamd, die om de tien minuten een zuil kokend water een tiental meter de lucht inspuit. Daarmee is de plaats toch gered tot meerdere glorie van het toerisme. Er rond zijn nog wat stoombronnen, kokende modderpoelen en dergelijke waar je op een mooi afgebakend paadje wat tussen kan wandelen. Wel indrukwekkend om eens te zien, maar voor iemand die zoals mij al een paar dagen amper mensen gezien had was het behoorlijk druk. Ik maakte dus dat ik er snel weg kwam en trok noordwaarts.
Een harde noorderwind maakte het moeilijk gaan en de regen die ik er af en toe bij kreeg hielp ook niet echt. Het doel dat ik voor mij zag was nog maar eens de Langjökull. Af en toe dan toch. Een groot deel van de tijd zat de gletsjer weggestopt in de wolken. Naast mij zag ik in de vlakte de stofwolken ontstaan waar ik de dag tevoren al zo in had lopen ronddwalen.
Aan de voet van de Eystri-Hagafellsjökull (een aftakking van de Langjökull) ligt het Hagavatn. Dat watert af via een paar spectaculaire watervallen. De wind was intussen zo sterk dat bij de kleine watervallen het water af en toe terug omhoog vloog. Daarmee had ik eindelijk een goed zicht op de gletsjer. Zoveel mogelijk langs de rand ervan trok ik verder naar het noorden. Dat voerde me door een paar prachtige verlaten valleien. Afwisselend was het eens een rotsvallei, dan weer vulkanisch zand waarin mijn voetsporen bleven staan alsof ik op de maan geland was. Wat hoger lag de vallei dan weer bijna volledig bedekt met sneeuw. Elke col en elke bocht bracht een verrassing.
Aan de voet van de Suðurjökull en de Norðurjökull (beide ook zijtakken van de Langjökull) ligt het Hvítárvatn. Op de kaart zag de rivier die daarvan wegstroomde er nogal breed uit, dus nam ik mijn bocht een beetje breed om via een brug over te steken. Daarbij passeerde ik nog eens over de flank van de Skálpanes. Dat is opnieuw zo een grote platte vulkaan. Veel beschutting tegen de wind geeft die niet en het was niet zo heel evident om er een redelijk plaatsje voor mijn tent te vinden.
Na de brug trok ik dan weer wat meer de richting van de gletsjer uit. Daarmee loop je opnieuw tegen een rivier, de Fúlakvísl, die netjes noord-zuid stroomt. Ter hoogte van de Þverbrekknamúll had ik die toch lang genoeg gevolgd en stak de rivier over aan een zwaar vertakkend stuk op een morene. De rivier bleek nog behoorlijk breed en snelstromend te zijn. Het was een heel doolhof om van eiland naar eiland overstekend de doorwaadbare plaatsen aan elkaar te rijgen. Eens ik de rivier over was kreeg ik terug toegang tot een heel stelsel van kleine valleien aan de rand van de gletsjer. Die waren nog mooier dan dat vorige. Ik zette er mijn tentje op bovenaan een afgrond van waar ik een fenomenaal uitzicht had over de onderliggende vallei en de gletsjer. Mogelijk was het de meest indrukwekkende kampeerplaats die ik ooit had.

De volgende dag zat ik al snel in de dichte mist, wat in een besneeuwde vallei voor uitdagend navigeren zorgt. Ik ging behoorlijk de mist in. Figuurlijk dan. Als je toch de goede richting vast hebt, daal je, kom je onder de wolken en plots strekt zich een gigantisch vlakte voor je uit. In de vlakte zag ik vanop mijn berg een tiental kilometer verder al de stoompluimpjes van de stoombronnen van Hveravellir. Dat was mijn volgende doel.
Daar aangekomen wandelde ik even tussen de stoombronnen, kokende modderpoelen en dergelijke. Hveravellir heeft een beetje hetzelfde probleem als Geysir. Plots kom je er mensen tegen. Veel mensen. Zeker een stuk of twintig. En er is een pad. Waar je op moet blijven. Anders ben je stout. Of zoiets.
Erg lang ben ik er niet gebleven. Ik ging pal naar het zuiden naar de Strýtur. Nog maar eens een grote platte vulkaan, deze is zelfs lager dan de vorige waar ik reeds op ging. Nog verder naar het zuiden passeerde ik over de top van Kjalfell. Deze is hoegenaamd niet plat, maar heeft wanden die steil uit de vlakte oprijzen. Gelukkig geraak je er zonder problemen op. Op de top was het een beetje tussen de wolken doorpiepen om toch iets te kunnen zien. Ik liep hem af langs de westkant over een zalige puinhelling. Erg steil, maar met vrij kleine stenen. Dat was een fantastisch stukje om mijn screerunning wat te oefenen.

De berg staat wat verloren in de vlakte. Eens ik hem af was trok ik dus nog maar eens een brede vlakte door die meer begon te glooien naarmate ik dichter bij Kerlingarfjöll kwam. Om daar te geraken moest ik een paar rivieren oversteken, die soms behoorlijk breed waren. Eentje was zelfs bijzonder nipt om over te geraken. Het water was er behoorlijk diep en stroomde sterk genoeg om me te beginnen meesleuren.
Daarmee kwam ik toch aan het gebergte Kerlingarfjöll. Daar heb je een vallei die ook erg gekend is om de geothermische verschijnselen. In plaats van via de camping in het noorden erheen te gaan maakte ik om omweg om langs het zuiden te naderen. En passant ging ik ook even over de Mænir. Het was een dag met veel lage wolken, regen en een snijdende wind. Tot mijn verrassing zag ik voor me uit nog iemand de Mænir beklimmen. Na wat proberen keerde die terug. Het bleek zowaar een Belg te zijn die vond dat je de helling niet op kon geraken omdat je door de losliggende stenen steeds omlaag schuift. Ik was het daar natuurlijk niet mee eens en vatte de klim aan via een lichtjes andere lijn die me wat meer over sneeuwvelden liet passeren. De andere volgde mij, maar al snel zat hij een heel eind achter. Geen idee of hij uiteindelijk toch boven geraakt is. Ik heb in elk geval niet de gewoonte om te wachten op mensen die met een selfie-stick rondlopen.
Op de top waren die laaghangende wolken een dichte mist. Daarmee was het een beetje oppassen om de goede kant te vinden om af te dalen. Het was niet de bedoeling om per ongeluk op een gletsjer terecht te komen. Eerst prutste ik wat over rotsblokken, maar al snel had ik een paar sneeuwvelden te pakken waarover ik erg snel kon afdalen. Na een paar minuten zag ik onder mij al de pluim van een stoombron.
Hveradalir zelf is schitterend. Je loopt er de hele tijd tussen stoombronnen, warmwaterpoelen en nog van dat fraais. De grond heeft er ook prachtige rode en gele kleuren. Het enige nadeel is dat bij regenweer die prachtige rode en gele kleuren een spiegelgladde modderlaag worden die typisch nog ferm steil is ook. Ik ben een paar keer al glijdend een helling af gekomen. Behalve dat het niet bijster elegant is heeft dat vooral als nadeel dat je er behoorlijk vuil van wordt.
De vallei is erg lang en enkel de onderste helft is ontwikkeld voor het toerisme. Eens je wat hoger de vallei in gaat kom je nog altijd even veel geologisch spektakel tegen, maar er zijn geen netjes uitgezette paden en bijgevolg ook geen andere mensen. Dat was eigenlijk nog mijn favoriete stuk van Hveradalir.
Ik ging de vallei helemaal door en zocht aan het einde een doorsteek naar de rand van het gebergte. Op dat hoger gelegen stuk is het reliëf niet echt geprononceerd en de combinatie van regen, mist en een paar meter sneeuw op de grond maakten het navigeren erg moeilijk. In alle richtingen zag ik gewoon wit en de paar bultjes die er waren hadden echt niet de ambitie belangrijk genoeg te zijn om op de kaart te staan. Op kompas hield ik gewoon de min of meer juiste richting aan met het idee dat ik wel zou zien waar ik was eens ik begon te dalen. Dat bleek te kloppen en een graat volgend kwam ik terug onder de wolken uit. Een uur later had ik dan genoeg referentiepunten om effectief te weten waar ik was en daarmee was ik terug op weg..

Na de stukjes gebergte volgt meestal een brede vlakte en dat was nu niet anders. Tot voorbij het kunstmatige Sultartangalón kon ik goed tempo maken.
Daarna vatte ik de aanloop naar Hekla aan. Die is nog behoorlijk actief en is daarmee waarschijnlijk een van de meest beruchte IJslandse vulkanen. Tot bij Hekla geraken was een knoeiboel. Het wisselde een beetje af tussen grof mul zand dat succesvol je schoenen vol met stenen probeert te krijgen en lavavelden met grillige lavablokken die erg scherp zijn en een waar doolhof vormen. Dat schiet absoluut niet op.
Pas wanneer je in de sneeuw terecht komt wordt het gaan opnieuw wat eenvoudiger. Natuurlijk ook niet te eenvoudig. Een snerpende wind maakte het bitter koud en de top zat natuurlijk in de wolken. Op de top staat wat meetapparatuur waar door de ijzige wind horizontale ijspegels aan gevormd waren.
Lang ben ik niet op de top gebleven en ik liep snel de berg weer af. Terug onder de wolken gekomen strekte zich voor mij een zwart-witte vallei uit. Inktzwarte lava werd afgewisseld met spierwitte sneeuw. Het zag er bijna uit als een speelbord. Op basis van de ervaring van eerder die dag besloot ik natuurlijk op wit te spelen. Op de hogere stukken was dat erg eenvoudig. Eens ik wat lager kwam was er natuurlijk steeds minder sneeuw en werd ik steeds vaker op de grillige lavablokken gedwongen.
Ik ondervond hier ook dat de sneeuw niet altijd een goed idee was. Soms was de ruimte tussen twee blokken opgevuld met sneeuw, en verborg zo een vrij diepe put. Daar kon je plots meer dan een meter in wegzakken als je er een voet op zette. Het grootste deel van de dag spendeerde ik zo mij een weg banend doorheen het lavaveld.
In de late avond kwam ik dan toch in de volgende vallei uit. Daar was de toestand gelukkig iets beter. De vallei was nog volledig dichtgesneeuwd en bij het vallen van de avond werd het er gruwelijk koud. Ik kruiste er een jeep en wat later een quad van de reddingsdienst die een min of meer berijdbare weg zochten doorheen de vallei. In het passeren vroegen ze of bij mij alles in orde was, waar ik bevestigend op kon antwoorden. Net onder de sneeuwgrens zette ik mijn tentje op. Het was nog eens een fantastisch kampeerplekje.
De volgende dag was ik terug op pad. Op de flank links van mij zag ik plots de typische pluim van een stoombron. Die moet ik natuurlijk eens dichter gaan bekijken. Daar aangekomen zag ik dat er nog een heel pak stoompluimen in de directe nabijheid opstegen. Hier kon ik lekker ongestoord tussen de geothermische verschijnselen rondlopen. Wat een verschil met de plaatsen die goed bereikbaar zijn en waar de toeristen in drommen rondlopen.
Van daaruit ging ik verder over een prachtige graat naar de top van de Háalda met een verbluffend uitzicht op het meer ernaast. Eens je daar af bent kom je in de periferie van Landsmanlaugar. Dat is het begin (of het einde zo je wil) van de Laugavegur, de meest populaire wandelroute van IJsland. Bij het naderen van Landsmanlaugar kwam ik steeds meer mensen tegen. Landsmanlaugar zelf bleek een wirwar van miljoenen tentjes te zijn. Waarschijnlijk waren het er maar een honderdtal, maar voor mij was de cultuurschok even groot als wanneer ik plots een miljoenstad zou binnengewandeld zijn.
Je kan natuurlijk wel raden dat ik er niet te lang bleef. Het eerste deel van de Laugavegur liet ik aan mij voorbij gaan en ik koos een alternatieve route over de top van de Bláhnúkur, dan over een mooie scherpe graat omlaag en de volgende top terug omhoog om daarna terug bij de Laugavegur aan te sluiten.
De Laugavegur is een prachtige route, maar in vergelijking met wat ik daarvoor in IJsland deed ongelooflijk druk. Je mag erop rekenen dat je zeker elk kwartier iemand tegen komt. Hij wordt verkocht al toch van vier dagen met hutten en campings die strategisch geplaatst zijn. Eerlijk gezegd is het op een dag goed te doen als je wat tempo maakt. In totaal is het maar een dikke vijftig kilometer. Ik deed het op twee halve dagen. Die tweede dag hoorde ik bij het passen van de hut aan het Aftavatn dat er een “severe weather warning” voor het gebied gold. Er werd een storm aangekondigd met windsnelheden tot 30 meter per seconde. Even rekenen leerde me dat dit overeenkomt met meer dan honderd kilometer per uur, wat inderdaad snelheden zijn waarbij je liever niet op een berg wil zitten.
Het komt er dus op neer dat ze de Laugavegur min of meer aan het ontruimen waren door iedereen sterk aan te raden om ofwel een paar dagen in een hut te blijven ofwel de tocht af te breken en het gebied te verlaten. De meeste mensen luisteren daar een stuk beter naar dan ik en plots had ik de hele Laugavegur voor mij alleen.
Aan het einde van de Laugavegur, in Þórsmörk, moest ik dan toch de knoop doorhakken. Ofwel bleef ik daar wat zitten wachten op beter weer, ofwel waagde ik me toch aan de doorsteek naar Skogar over een pas tussen Mýrdalsjökull en Eyjafjallajökull door. Dat betekent dan wel een col van 1100 meter over trekken waar het behoorlijk lelijk zou kunnen doen. Ik besloot het er toch maar op te wagen met het idee dat ik altijd kan terugdraaien als de omstandigheden echt te moeilijk zijn. Er zitten in de pas ook een paar hutten die ik als noodoplossing kon gebruiken.
Het eerste stuk gaat over een erg mooie graat. Eens ik dan wat hoger kwam stak de wind op en deed goede pogingen om me omver te blazen. Eens in de sneeuw werd het helemaal leuk. Die was door de erg koude temperaturen wat bevroren zodat je daar op sportschoenen eigenlijk geen grip op had. Erg veel mogelijkheid om me schrap te zetten tegen de stormwind had ik niet. Hier en daar werd ik opzij geblazen door de wind tot ik terug op een stuk met wat meer grip terecht kwam.
In de col kwam ik in het slechtst mogelijke scenario terecht. Mist, sneeuw, harde wind en markeringen die ergens in de sneeuw verdwijnen. Voor het gemak ook nog hevige regen die alles doorweekt. Wat op goed geluk zorgde ik er voor dat ik zuidelijke richting bleef aanhouden. Het was vooral zaak om in beweging te blijven. Eens ik begon te dalen kwam ik terug op het pad terecht en eens ik beneden de sneeuwgrens kwam zette ik mijn tentje op om daar de storm uit zitten en uit te slapen.
Mijn hoop dat de volgende dag het weer zou beteren bleek ijdel. Ik wachtte op een periode met wat mooi weer, maar telkens ik dacht dat die er aan kwam kreeg ik met hernieuwde kracht een hagelstorm over mij. Na een tijd was ik het toch beu en brak mijn tent ondanks de storm op en daalde verder richting Skogar. In de lager gelegen gebieden viel van de storm opnieuw niets te merken. Onderweg passeer je daar verschillende mooie watervallen, maar de omstandigheden waren echt niet van die aard om tijd te maken voor wat sightseeing. In Skogar stond ik terug aan de ringweg, zonder logische manier om het binnenland in te gaan en zonder tijd om nog veel te doen. Ik heb er gewoon een punt achter mijn tocht gezet en ben van daar rustig naar Reykjavik gereisd. In totaal heb ik daar in IJsland tijdens mijn trektocht twaalf dagen volledig autonoom kunnen rondtrekken.
IJsland is echt een prachtig land. Het is ongelooflijk hoe je er zo kan rondzwerven. Zeker als je een beetje van de meest toeristische plaatsen weg gaat kom je hoegenaamd niemand tegen. Eigenlijk vraag ik me af waarom ik zo lang gewacht heb om eens naar IJsland te gaan.

Na IJsland ben ik niet lang thuis gebleven want een week later trok ik al voor een paar dagen naar Schotland. Daar liep ik de Glen Coe Skyline. Dat is een nieuwe wedstrijd die er op voorhand erg veelbelovend uit zag. De wedstrijd maakt een rondje omheen de vallei Glen Coe. In het parcours waren een paar bekende scrambles opgenomen. De belangrijkste zijn Curved Ridge (graad III, net onder rotsklimmen) en Aonach Eagach (graad II). In totaal werd ons 52 kilometer met 4200 hoogtemeters beloofd. Dergelijke parcours zijn wat te technisch voor mij om erg competitief te zijn, maar ik doe dat gigantisch graag/.
De start werd gegeven aan het Glen Coe Mountain Resort. De eerste zeven kilometers waren erg gemakkelijk over de West Highland Way. Er werd vooraan gestart alsof het een tien kilometer was. Blijkbaar wou iedereen snel aan de voet van Curved Ridge komen om opstoppingen te vermijden. In dat tempo heb ik me de eerste minuten toch wat in verslikt. Blijkbaar was ik niet de enige want ik kon toch een beetje terrein terugwinnen en rukte op naar iets rond de tiende plaats.
Curved Ridge zelf was fantastisch. Het is een erg mooie spectaculaire klim. We hadden het geluk dat de rotsen droog waren en het parcours was zo uitgestippeld dat de stukken met het grootste steenslagrisico vermeden werden. Ik ben geen echte klimmer, dus hier werd ik door verschillende mensen ingehaald. Dat is ongeveer zoals ik op voorhand verwacht had. De beklimming van Curved Ridge bracht ons tot de top van Stob Dearg. Eens we daar waren volgde een beter beloopbaar stuk. Over een graat liepen we naar Stob na Doire vanwaar het steil omlaag ging. In de vallei kregen we niet veel rust want aan de overkant moesten we recht omhoog de wand op. Boven wat genieten zat er niet direct in. Enerzijds zaten de toppen toch in de wolken en anderzijds moesten we direct omlaag de volgende vallei in. Deze volgden we iets langer. Behalve de stukken West Highland Way aan het begin en einde van de wedstrijd, is dit het enige stuk waar over een gewoon pad gelopen wordt.
Aan het einde van de vallei volgde nog eens een steile klim. Deze keer ging het naar de top van Stob Coire Sgreamhach. Daar begonnen we aan een mooie graat die ons naar Bidean nam Bian, met zijn 1150 meter het hoogste punt van de wedstrijd, bracht. Er zat ook een stukje heen en terug naar de top van Stob Coire nan Lochan in. Ik neem aan dat je daar een prachtig uitzicht over de vallei hebt. Nu viel er alleen mist te zien en die was niet mooier of lelijker dan anders. Het voordeel van een stuk heen en terug is dat je eens kan kijken waar de andere lopers ten opzichte van jou zitten. De conclusie was dat er al behoorlijk wat volk voor mij zat en nog veel meer achter mij.
Aan het einde van de graat liepen we van An t-Sron omlaag over een pad. Hoewel het duidelijk een pad was, had iedereen het hier behoorlijk moeilijk. Het pad bestond uit stenen die tot een trap gerangschikt waren. Het probleem is alleen dat die allemaal nat en daardoor spiegelglad waren. Wat het leven soms een beetje spannend maakt als je daar zo snel mogelijk af wil lopen.
Mij lukte het nog redelijk goed. Niemand haalde mij bij en ik kon zelfs een paar lopers voorbij steken. Uiteindelijk kwam iedereen toch zonder ongelukken aan het einde van die afdaling. Daarmee zat ik op het laagste punt van de wedstrijd. We moesten er de weg doorheen de vallei van Glen Coe over steken. Hier was ook de enige bevoorrading op het parcours. Sinds Curved Ridge had ik mooi mijn positie kunnen handhaven. Ik schat dat ik ongeveer rond de twintigste plaats liep op dat moment.
Na de bevoorrading werden we direct de wand aan de overkant van de vallei op gestuurd. Hier klommen we negenhonderd meter op een afstand van iets meer dan een kilometer. Dat voel je redelijk goed in de benen. Zeker als je al een halve dag bezig bent met over rotsen te springen. Boven begonnen we met een nieuw hoogtepunt van de wedstrijd. We liepen de volledige lengte van Aonach Eagach af. Dat is een messcherpe graat waarop je regelmatig langs weerszijden boven een gapende afgrond staat. Regelmatig moet ook een beetje omhoog of omlaag geklauterd worden, wat hem toch een graad II scramble maakt. De wolken speelden een beetje verstoppertje met de graat, maar meestal hadden we toch een uitzicht naar tenminste een kant.
De graat is fantastisch mooi. Zelden heb ik zo lang over dergelijk woest terrein gelopen. Net als op Curved Ridge was mijn probleem vooral dat ik over dergelijke passages niet heel snel ben. Ik geraak overal wel op en over, maar bij gebrek aan rotswanden in Vlaanderen heb ik niet echt de automatismen om aan heel hoog tempo te bewegen in een dergelijke omgeving. Dat is natuurlijk in vergelijking met de absolute top in dergelijk werk. Zoals te verwachten viel verloor ik hier opnieuw redelijk wat terrein. Ik moet toegeven dat ik er fysiek ook behoorlijk begon door te zitten op de graat. Eens we van de graat kwamen volgde een beter beloopbaar stuk over de kam om dan af te dalen naar de West Highland Way.
Over de West Highland Way volgen dan nog een paar erg snelle kilometers. In eerste instantie is dat de afdaling van de bekende Devil’s Staircase (die echt totaal niks voorstelt) en daarna wat we de eerste kilometers aflegden in omgekeerde richting. Dat betekent een paar kilometer lang geleidelijk stijgend wat voor iedereen zo mogelijk nog het stuk is waar we het meeste hebben afgezien. Na 9u17 was ik als dertigste terug aan het Glen Coe Mountain Resort. Je merkt dat dit geen snelle tijd is voor een 52 kilometer, maar daar heeft het parcours natuurlijk alles mee te maken.
De wedstrijd was schitterend. Het was veruit het meest technische parcours waarover ik ooit geracet heb. En dat wil intussen toch het een en ander zeggen.Tijdens de wedstrijd heb ik me wel regelmatig afgevraagd hoe ik voor zoiets moet trainen. Ik zie bij ons niet direct een realistische mogelijkheid. Misschien met ik aan het gemeentebestuur maar een vragen of ze geen rotswand van een paar meter hoog kunnen installeren. Anders ga ik nooit de mogelijkheid hebben om voldoende op rotsen dwaas te doen.

Posted in Nieuwsbrief | 3 Comments

Nieuwsbrief juli 2015

In juli deed ik verder met het lopen van een aantal wedstrijden. Na de rogaine die ik in de nieuwsbrief van juni gesmokkeld heb, trok ik zuidwaarts voor de Ehunmilak. Dat is een wedstrijd in Spaans Baskenland over een afstand van honderd mijl en met in totaal een respectabele 11000 hoogtemeters. Met een hoogste passage rond 1500 meter gaat de wedstrijd nooit erg hoog, maar het gaat de hele tijd bergop en bergaf.
Spanje in de zomer kan soms erg warm zijn. Daar kregen we een ferm koekje van. De hele week waren de temperaturen er eind de twintig graden om dan de dag van de wedstrijd plots naar de tweede helft van de dertig te springen. En dan een dag later terug naar eind de twintig terug te vallen. Verzengende hitte voor de start, maar daarna wel te doen betekent dat. Hoewel de start pas ‘s avonds werd gegeven was het nog steeds erg heet en vanaf de eerste klim droop ik van het zweet. Met mijn achillespeesproblemen die de laatste tijd terug de kop hebben opgestoken zijn de steile beklimmingen bij mij nog steeds een beetje moeizaam. De beloopbare stukken in de beklimming maakte ik dan terug terrein goed.
De afdaling kon ik dan terug goed tempo maken en haalde ik een paar lopers bij. Dit scenario herhaalde zich een paar keer waarbij ik telkens bergop terrein moest prijsgeven dat ik dan bergaf terug won. Toch waren die afdalingen niet echt mijn ding. Verschillende keren was het omlaag denderen over asfalt en beton. Dat is bijzonder slopen voor de quadriceps en ik was daar eerlijk gezegd niet op voorbereid. Na een paar dergelijke afdalingen begon de knie wat tegen te sputteren en de bovenbenen te verkrampen.
Eens we goed en wel de nacht in zaten ging het licht bij mij helemaal uit. Tegen middernacht geraakte ik totaal niet meer vooruit. De vermoeidheid van de Dragon’s Back was duidelijk nog niet helemaal verteerd. Op dat punt zat ik nog maar aan een veertigtal kilometer wat veel te vroeg is om zo zwaar in de problemen te komen. Ik besloot er maar mee op te houden. Met absoluut toch te willen finishen zou ik me maar compleet gesloopt hebben voor een erg mager resultaat. Ook het wat tegenvallende parcours hielp niet om me te motiveren. Er zaten een pak meer verharde kilometers in dan ik gehoopt had en erg spectaculair was het allemaal niet. Naar wat ik hoorde zou de tweede helft meer de moeite zijn, maar die heb ik dus niet gezien.

Een week na de mislukking van de Ehunmilak trok ik terug zuidwaarts. Deze keer ging ik naar Italië, meer bepaald de Dolomieten, om er de Dolomites Skyrace te lopen. Die wedstrijd is er eentje die ik al erg lang eens wil lopen. Voor mij is het met zijn 22 kilometer erg kort, maar op die afstand moet je 1750 meter omhoog en daarna terug omlaag. Vanaf de start op ongeveer 1300 meter hoogte gaat het naar de top van de Piz Boe (3152 meter hoog) en daarna langs een andere weg terug omlaag. Het is een van de grote klassiekers van het skyrunning. De wedstrijd is ook enorm sterk bezet, waarmee ik op voorhand wist dat je me niet vooraan in de uitslag zou terugvinden.
Ook de Dolomieten bleven niet gespaard van de hittegolf die grote delen van Europa teisterde. Zelfs boven de drieduizend meter was het daar behoorlijk warm. Niet bepaald ideaal voor een slechtweerloper als mij.
De wedstrijd start in het centrum van Canazei. Na een aanloop doorheen het dorp liepen we direct de skihellingen op. Dat is zeker niet het mooiste parcours dat je kan verzinnen, maar heeft het grote voordeel dat er genoeg plaats is om in te halen. Op die manier vermijd je dat grote files ontstaan bij de eerste versmalling. Voor mij betekent het dat ik rustig naar voren kon opschuiven want dat gesprint bij de start ben ik al een tijdje niet meer gewoon. Dat was min of meer de situatie tot de Passo Pordoi. Na de Passo Pordoi verandert het parcours in een bergpad en zie je boven je de iconische zigzags naar Forcella Pordoi liggen. Daar moet je dan heen. Hier bleef ik min of meer mijn positie handhaven en bovenaan de zigzags verloor ik zelfs een klein beetje terrein.
Aan Forcella Pordoi (toch al meer dan 2800 meter hoog) loop je even wat vlakker alvorens de toppiramide van de Piz Boe te beklimmen. Dat is een erg rotsig stuk waar het pad grotendeels van kabels is voorzien. Echt nodig zijn die zeker niet, maar ze helpen wel om wat extra snelheid te maken.
Eens je op de top bent heb je niet direct tijd om even rond te kijken want direct wacht je een spectaculaire afdaling. Ik begin naar Belgische normen vrij goed te kunnen dalen, maar tegen de echte specialisten moet ik nog steeds passen. Ik verloor hier meer plaatsen dan ik won. Een keertje volgde ik stomweg de loper voor mij toen die van het pad ging. Toen plots een afgrond voor ons lag hadden we wel door dat we niet op de goede weg zaten. Een paar keer had ik ook totaal geen goede lijn vast. Daarvoor helpt het natuurlijk als je de afdaling wat kent. Ik had zoals gewoonlijk niet de mogelijkheid gehad om iets op voorhand te verkennen. Af en toe zie je dan iemand wat naast het pad voorbij vliegen en heb je dan pas door dat daar een erg snelle lijn ligt.
Goed in de afdaling zijn een paar steenvelden waar je mooi omlaag op kan dansen. Ik doe dat erg graag, maar op een bepaald moment was ik wat te graag en werd bijgehaald door een stevige steen die tegen mijn zwakke achillespees aanrolde. Het reduceerde me een paar kilometer lang te strompelen en betekende het einde van de weinige klassementsambities die ik nog had.
Wanneer je de boomgrens bereikt is het nog een paar kilometer vlammen over een pad dat doorheen het bos steil omlaag slingert. Hier kwam ik terug wat op gang en bleef min of meer mijn positie handhaven. Uiteindelijk stond ik na 2u45 terug aan de aankomst, wat goed was voor een 133ste plaats. Ik liep verre van super, maar dat geeft toch een idee van hoe sterk de wedstrijd bezet is. Als je daar niet echt goed bent verlies je direct enorm terrein.
Het parcours was in elk geval prachtig. Het is volledig terecht dat de wedstrijd zo gigantisch populair is. Het is spectaculair en bij momenten behoorlijk technisch. Zoals skyrunning hoort te zijn. Ik kan de wedstrijd van harte aanraden.

Posted in Nieuwsbrief | Leave a comment

Nieuwsbrief juni 2015

Voor mij begon in juni het wedstrijdseizoen van dit jaar echt. Eerst liep ik eens een wedstrijdje in de Ardennen om te testen. Dat was de Trail de la Meuse in Revin. Voor mij is dat een halve thuiswedstrijd aangezien ik in deze streek regelmatig kom trainen. Met 30 kilometer en 1450 hoogtemeters heb je naar Belgische normen ook nog eens een parcours met erg veel hoogteverschil. Ik weet natuurlijk wel dat Revin in Frankrijk ligt, maar voor een stadje dat in vogelvlucht op een vijftal kilometer van de grens ligt mag je gerust de Belgische normen hanteren. Mijn opwarming bestond uit naar de start lopen. Daarmee had ik al een dik uur extra in de pocket.
Er werd gestart samen met een kortere afstand van 15 kilometer. Dat is altijd wat gevaarlijk om je te laten meeslepen. De eerste kilometer ging over het fietspad langs de Maas en daarna was het direct recht omhoog. De eerste helling van de dag en direct was het al erg nuttig om je handen te gebruiken. Dat belooft voor het vervolg. Ik liet wat volk weglopen zonder goed te weten welke afstand die liepen. In de eerste afdaling volgde de splitsing tussen beide afstanden zodat ik eindelijk een beter overzicht kreeg. Voor mij zag ik een loper het parcours van de 30 opdraaien en ook de loper vlak achter mij ging mee op de lange toer. Achteraf zou blijken dat daarvoor niemand meer liep. Mij tempo was dus goed.
We klommen wat verder naar het uitzichtpunt aan de Roche des Mintch. Eens we dan boven op het plateau waren mochten we direct terug dalen richting Anchamps. Een erg leuke afdaling die heel gelijkmatig begint en dan overgaat in een steile, rotsige zone. Veel verandering in de onderlinge posities gebeurde niet. Aan Anchamps is het dan een tijdje beter beloopbaar tot je de vallei van de Ru de la Pille indraait. Een plaats die ik nog niet kende, maar voor mij een mooie ontdekking. Het begint met een smal pad naast het stroompje in een nauwe vallei. Uiteindelijk is de vallei gewoon te smal en moet je het water in. Dan draai je plots de flank op en kruipt op handen en voeten recht omhoog. Een beetje terugdraaien en je komt op een rotsige kam uit vanwaar je een paar schitterende uitzichten hebt en waar je regelmatig tussen de rotsen omhoog moet kruipen. Kort voor de vallei haalden we de vroege vluchter bij en kwam een andere loper terug uit de achtergrond zodat we met vier man aan de leiding liepen. Af en toe viel het groepje wat uit elkaar en kwam dan terug samen, maar niemand maakte hier een beslissende move. Nog een steil afdaling en een klauterklim later, volgde een wat vlakker stuk. In eerste instantie ging dat doorheen het bos, regelmatig over stukken waar je redelijk wat fantasie nodig hebt om een pad te zien.Daarna een wel heel snel stuk over wat asfalt en een paar brede onverharde boswegen. Hier begon de hitte zich sterk te laten voelen. Alle vier begonnen we duidelijk van onze pluimen te laten.
Samen met een Fransman liep ik hier stevig door en de beide andere lopers moesten er definitief af. Na een volgende steile afdaling kwamen we terug in de Maasvallei uit. Veel rust hadden we niet want aan de andere kant ging het direct terug steil omhoog. Hier begon ik de warmte toch wel behoorlijk te voelen en ik moest mijn metgezel laten lopen. Tegen de top van de beklimming kwam zelfs nog een andere loper terug, die we van heel de wedstrijd nog niet gezien hadden. Hij zat duidelijk nog behoorlijk fris en liet me ter plaatse. De daarop volgende afdaling was terug recht omlaag wat gelukkig nog steeds redelijk vlot ging bij mij.
Eens beneden was het direct terug omhoog voor de finale klim. Gewoon recht op de wand omhoog. Je klimt er 240 meter op een horizontale afstand van vijfhonderd meter. Gelukkig wist ik dat die eraan kwam. Het is een helling waar ik regelmatig op train. Twee weken tevoren had ik er nog afdalingen op getraind. Om af te sluiten moesten we nog eens recht omlaag en dan via een wad de Maas oversteken. Ik wist zelfs niet dat dit er was. Het was gewoon nog nooit in mij opgekomen dat je zonder zwemmen de Maas zou kunnen oversteken. Mijn positie werd niet meer bedreigd en ik hield de derde plaats netjes vast. Uiteindelijk deed ik 3u16 over die dertig kilometer wat veel zegt over de zwaarte van het parcours.
Met die derde plaats kan ik vrij tevreden zijn. De winnaar was echt niet ver en ik heb de hele wedstrijd mooi vooraan kunnen meestrijden. Het belangrijkste van al is dat ik totaal geen last had van mijn achillespees. Zeker met de warmte was het wel behoorlijk slopen en achteraf teruglopen kostte me toch een stuk langer dan wat ik er ‘s morgens over gedaan had.

Daarna trok ik een week naar Wales voor een van de zware brokken die ik in 2015 voorzien heb: de Dragon’s Back Race. Ik liep de vorige editie, in 2012, ook al mee. Hoewel ik toen hoegenaamd niet op niveau kon lopen vond ik de wedstrijd zo schitterend dat ik absoluut terug wilde deelnemen. Het concept is vrij eenvoudig. Je doorkruist Wales van noord naar zuid. Dat is toch redelijk ver, daarom splitsen we het op in vijf etappes. We doen aan fellrunning, dus er is geen vast parcours, alleen een paar controleposten waar je moet passeren. Gewoonlijk zijn die erg logisch te vinden. Meestal zijn het gewoon toppen van bergen, dus geen gezoek zoals bij oriëntatielopen. De ideale route is meestal ook erg eenduidig, maar hier en daar moeten toch een paar interessante keuzes gemaakt worden. Met de ideale weg kom je uit op ongeveer driehonderd kilometer, maar ik zou er niet al te hard op rekenen dat je die effectief volgt.

De eerste dag is naar mijn mening de leukste. Dan loop je van Conwy aan de kust helemaal tot Snowdon. ‘s Morgens vroeg start iedereen samen in het kasteel van Conwy. Na wat lopen over de stadswallen begint de wedstrijd dan echt. Ik positioneerde me redelijk vooraan. De eerste controlepunten dienen gewoon om ons van de straat weg te halen en de bergen in te trekken. De eerste echte top van de dag is Tal y Fan. Wat in Conwy nog bewolking was, veranderde op dergelijke hoogte in dichte mist. Het zou het landschap blijven voor een groot deel van de dag. Nadat de initiele posititiewissels een beetje voorbij waren liep ik nog net binnen de top 10. Wat ongeveer de positie is waar ik graag wou zitten. Na Tal y Fan blijf je eigenlijk de hele tijd hoog en volgt gewoon de bergrug van top naar top. In de mist is dat niet altijd evident, maar meestal moet je toch redelijk je best doen om verloren te lopen. Na een paar uren loop je zo naar de eerste drieduizenders. Dat is in voet gemeten voor alle duidelijkheid.
In 2012 liepen we alle drieduizenders, maar de combinatie met een hittegolf maakt dat zo zwaar dat na de eerste dag minder dan de helft van de deelnemers nog in de wedstrijd zat. Vandaar dat organisator Shane ons dit jaar een beetje spaarde en er een paar uitgehaald had die voor wat te veel omweg zorgden. Aan het einde van de bergrug kom je aan de top van Pen Yr Ole Wen. Daar heb je eigenlijk twee opties. Ofwel rechtdoor over een erg steile en rotsige afdaling, ofwel naar links over een weg die beter beloopbaar is, maar een stuk langer. In 2012 ging ik rechtdoor. Nu testte ik eens hoe de weg langs links is. Eerlijk gezegd niet zo snel als ik gehoopt had. Ik vond niet echt een goede lijn en werd voorbij gelopen door lopers die op een betere lijn zaten. Volgens mij maakt het niet echt uit welk van beide opties je kiest.

Dan begint het echt serieuze werk. Eerst is het Tryfan recht omhoog. Eerst is dat een steil pad, daarna gewoon klauteren op de rotsen. Dichte mist was nog steeds het landschap, dus er viel geen fluit te zien. Vooral in de afdaling is dat niet eenvoudig. Over de rotsen kruipend kwam ik wat te veel naar rechts uit.
Daarna heb je de beide Glyders. Dat blijft een knoeiboel met allemaal rotsen waar je in de dichte mist makkelijk verloren kan lopen. De top van Glyder Fach vinden was helemaal leuk. Overal liggen grote rotsblokken op een hoop gegooid. Probeer maar te vinden welke de hoogste is. Toen ik langs een paar van die blokken waar je niet voor niets op wil kruipen passeerde zag ik gelukkig het controlepunt er op liggen. Waarmee onmiddellijk het volgende probleem zich stelde: hoe geraak je daar op? Klauteren is meestal het antwoord.
Na de Glyders gaat het omlaag naar de Pen y Pass. En daarna volgt de klim naar Crib Goch. Crib Goch is voor mij een van de meest prachtige passages in een wedstrijd. Ik houd daar gewoon van. Het is een messcherpe graat met aan beide kanten een indrukwekkende afgrond. Absoluut niet voor mensen met hoogtevrees. Gewoon al Crib Goch maakt de wedstrijd voor mij de moeite waard.
Na Crib Goch is het dan wat rustiger terrein tot de finish. Om de eerste etappe toch niet te licht te maken had Shane hier nog een verrassing in petto. In plaats van na de toppen van Garnedd Ugain en Snowdon gewoon te dalen stuurde hij ons nog even langs het zogenaamde Snowdon Horseshoe. Dat betekent langs de oostelijke graat naar Y Lliwedd. Daar op de top zagen we al de aankomst liggen. Natuurlijk een heel pak lager en we moesten nog een omwegje maken langs de redelijk onbeduidende top van Gallt y Wenallt. Door een paar keer een slechte lijn te kiezen in de afdaling had ik in de loop van de namiddag wat terrein verloren. Dat bracht me op een veertiende plaats na 9u47.

De volgende dag gingen we er tegen aan in de tweede etappe. Starten deden we terug in de mist. Eerste top van de dag was Cnicht. Een redelijk steile klim en hier werkte mijn achillespees echt niet goed mee. Na de lange eerste dag begon die toch wat te protesteren. Na Cnicht stonden beide Moelwyns op het menu. Twee manieren om daar te geraken: ofwel maak je een hele omweg maar blijf je vrij hoog, ofwel ga je recht omlaag, steekt de vallei door en ga je aan de andere kant van de vallei terug recht omhoog. Ik koos voor optie twee. Dat recht omhoog wat met mijn achillespees echter geen echt goed idee en ik verloor er heel wat tijd.
Na de Moelwyns komt een absurd lang stuk waar je vrij kan kiezen. De volgende post ligt in vogelvlucht een twintigtal kilometer verder. Dat is plots een halve meter kaart waar je helemaal je plan mee moet trekken. Er zijn vele optie mogelijk en het is hoegenaamd niet duidelijk welke de beste is. Een eerste mogelijkheid is een hele omweg langs straten. Dat is de langste weg, maar loopt wel vrij vlot en is erg gemakkelijk om te navigeren. Maar als ik op straat wil lopen, blijf ik beter thuis dus dat vond ik geen optie. Daarnaast heb je een hele reeks mogelijk doorsteken doorheen de bergen. De doorsteek die ik in 2012 nam was niet echt een succes. Ik probeerde dan maar een andere lijn, maar erg tevreden ben ik er nog altijd niet van. Ik heb de indruk dat er gewoon geen goede weg is.
Intussen was de dag erg zonnig geworden en liep de temperatuur behoorlijk op. Dat speelt natuurlijk niet in mijn voordeel. Tegen het support point halverwege was ik redelijk aan het oververhitten. De tweede dag is zo een etappe waar je denkt dat je halverwege al heel wat gedaan hebt. En dan moet het ergste nog komen. Dat ergste komt onder de vorm van de beide Rhinogs. Rhinog Fawr is redelijk simpel. Er is geen goede weg omhoog. Het is steil en vol stenen. Er terug af komen is nog simpeler. Er zijn alleen slechte wegen omlaag. Ik vond de geul waarin een soort pad ligt en daalde zo af. Dat is een leuk erg steil pad waar je best wat stevig op je benen staat. Ook iets dat ik wel leuk vind.
Rhinog Fach was een ander paar mouwen. Daar is geen evidente route omhoog. Tenzij helemaal aan de achterkant van de berg. Uiteindelijk besloot ik toch maar daar voor te gaan, maar blijkbaar ging ik toch wat te snel voor de top. Ik werd met een paar rotswanden geconfronteerd waar ik maar heel net op geraakte. Dat was scrambling op het randje van wat ik aankan.
De doorsteek naar Diffwys is dan terug erg eenvoudig. Om de afdaling naar de aankomst aan te vatten waren terug twee grote keuzes. Ofwel een stukje terugkeren naar een pad, dat volgen en vervolgens een stuk over een weg lopen. Ofwel gewoon rechtdoor afdalen, de vallei doorsteken en een heel stuk verder op de weg uitkomen. Ik koos voor die tweede optie. Dat bleek een serieuze misvatting. Die vallei was totaal onbeloopbaar met verschrikkelijke bogs waar je amper op kan recht blijven. Waar de grond dan wat droger werd moest ik me een weg banen door varens en struikjes die voor de goede orde erg scherpe doorns hadden. Het was zeker de kortste optie, maar omdat je zo traag vooruit geraakt hoegenaamd toch niet de snelste. Maar ik heb er toch wat asfalt mee kunnen ontwijken. Uiteindelijk eindigde ik die dag op een zwakke 38ste plaats wat me in het klassement liet terugvallen naar de twintigste plaats.

Dag drie is wat vlakker dan de twee voorgaande. Het begint met een steile klim. Tijdens die klim werd ik bijgehaald door Beth, Damian en Pavel die achter mij gestart waren. Zo veel sneller dan mij gingen die niet. Ik pikte in en liep een tijdje met hun mee. Na de klim loop je een hele tijd langs een mooie brede graat. Het was terug in de mist te doen wat het navigeren wat uitdaging gaf. In de afdaling van de Cadair Idris gingen we zowel letterlijk als figuurlijk de mist in. Toen we een meer zagen dat er niet hoorde te liggen hadden we door dat we op de verkeerde weg waren. Met een beetje traverseren kwamen we terug op de juiste graat uit. In die afdaling kon ik niet meer volgen met het groepje en zag ze verdwijnen in de mist. Niet erg. Ik kan echt wel zelf mijn weg vinden. Ik hield er een goed tempo in en passeerde regelmatig wat voor mij gestarte lopers.
Na de top van de Tarren Y Gesail volgt een lange afdaling door het bos. Ik probeerde daar een shortcut langs een voetpad. Dat lukte zeer goed tot het pad versperd was door omgevallen bomen. Daar raakte ik het pad kwijt, ging recht omlaag en kwam zo een stuk te ver naar links uit. Volgens mij heb ik in 2012 net hetzelfde probleem gehad. Daarna is een wat minder interessant vlakker stuk met op het einde van de dag nog een leuke klim naar de Plynlimon. Na redelijk goede zichtbaarheid in de loop van de dag zat deze top terug in de mist. De Plynlimon is daarvoor niet de meest evidente plaats want er zijn letterlijk tientallen valse toppen. Probeer in de mist maar de juiste te vinden. Na een paar pogingen had ik toch de juiste te pakken. Van de top is het nog een vrij goed beloopbare afdaling tot de aankomst. De etappe was voor mij terug een heel stuk beter dan de dag tevoren. Met mij 17e plaats schoof ik op naar de 18e plaats in het klassement.

Dag vier is de minst interessante. Er zijn geen echt spectaculaire passages en redelijk wat stukken asfalt. De eerste uren liepen we doorheen een groot windmolenpark. Dat maakt het navigeren wel heel eenvoudig, want de molens zie je al van kilometers ver staan. Daarna komt een stuk straat en wordt je terug de heuvels op gestuurd. Voor de verandering hadden we eens een mistloze dag zodat we netjes de toppen konden zien waar we daarna nog heen moesten lopen. Dat bleef zo de hele dag. Ik had een vrij goede dag. Het lukte me om behoorlijk goed tempo te maken en het navigeren ging redelijk feilloos. Niet altijd perfect, maar het zat er nooit ver van en de kleine foutjes kon ik steeds snel corrigeren.
Het meest gruwelijke stuk van die vierde dag is de laatste tien kilometer. Dan heb je een lange, lange asfaltafdaling. Een bijzonder pijnlijke zaak na vier dagen lopen. Ik voelde me er nog steeds goed en was een van de weinigen die zich daar nog met navigeren bezig hield. De meesten volgen gewoon de weg zonder veel nadenken, maar ik was nog de hele tijd aan het kijken naar mogelijke shortcuts en vond er ook een paar. Als je een paar keer in Nepal gelopen hebt, leer je wel het belang van de goede shortcut vinden. Dat kan je veel tijd besparen. Hier heeft het me niet zo veel tijd bespaard, maar het helpt toch om af en toe eens van die veel te lange weg af te komen. In het klassement won ik terug wat terrein en schoof op naar de 16e plaats.

De laatste dag begon iedereen er vrij vroeg aan. Gewoon omdat de weg voor iedereen lang genoeg is geweest en iedereen verlangt gewoon naar de finish. Al snel werd ik ingehaald door het na mij gestarte groepje van Beth, Pavel en Damian. Ik had verwacht dat die me snel voorbij zouden lopen, maar ik kon goed meedraaien. Samen met hun liep ik het eerste stuk van de etappe. Dat begint met een klim naar een klein topje en dan loop je naar en over een scherpe heuvelrug die wat tussen de velden verloren zit. Ook wel leuk om te lopen. Eens je daar af bent volgt nog een vervelend stuk straat. Jammer genoeg kan je dat niet echt vermijden om in de Brecon Beacons te geraken. Ik liep op dat moment samen met Beth, terwijl Pavel en Damian wat verder volgden. Op de straat schakelde ik over naar een hogere versnelling en vloog de eerder gestarte lopers met hopen voorbij. Beth beet zich vast en volgde me op korte afstand. Aan het einde van de straat word je gelukkig terug de heuvels in gestuurd, volgt een stukje bos en je bent bij het support point halverwege. Daarna loop je de bergen van de Brecon Beacons in.
Dat is opnieuw erg mooi terrein. Normaal gezien toch. Wij hadden de twijfelachtige eer om nog eens de Welshe mist uitgebreid te mogen bewonderen. Zeker na de eerste top was die bijzonder dicht. We liepen met een hele groep in elkaars buurt toen plots Jim and Jasmin in sneltreinvaart passeerden. Ik twijfelde niet lang en probeerde bij hun in te pikken. Het lukte zowaar. Ook Pavel en Beth hadden voor dat spoor gekozen. Iedereen zocht een beetje zijn eigen lijn in de mist, soms verloor je de anderen dan wat uit het oog, maar erg ver van elkaar liepen we nooit. Bij de controlepost hergroepeerden we spontaan wat en ging ons treintje verder op zoek naar de volgende posten.
Het was echt een luxe om zo eens met de toplopers mee te kunnen volgen. Zoveel sterker zijn ze op zich niet. Ze zijn gewoon veel efficiënter op het moeilijke terrein. Zowel wat het lopen als wat het navigeren betreft. Nu kon ik gewoon volgen en op de kaart meekijken waar we heen gingen zodat ik niet totaal verloren zou zijn op het moment dat ik niet meer kan volgen. Regelmatig passeerden we wat andere lopers waarvan er sommigen ook probeerden in te pikken. Voor sommigen was dat met succes zodat het groepje aangroeide tot een man of zeven. Eens we aan de laatste controlepost waren vielt het wat uit elkaar. Iedereen had een beetje het gevoel dat het er nu op zat en liep rustig binnen. Alleen Pavel was duidelijk van plan om volle bak te lopen tot aan de aankomststreep. Wat later volgde Jim zijn voorbeeld en zette de achtervolging in. De rest hield het wat kalmer. Op die laatste dag had ik de vijfde tijd van alle lopers wat me in de tussenstand een sprong naar de elfde plaats opleverde.
Een top tien zou natuurlijk mooi geweest zijn, maar dat werd door mijn zwakke tweede dag genekt. Over alle andere dagen kan ik wel tevreden zijn. Die waren bij mij goed tot zeer goed. Wanneer ik de wedstrijd vergelijk met de editie van 2012 was het nu toch wel een stuk gemakkelijker. Vooral de hitte van 2012 maakte het toen zwaar. In combinatie met een eerste dag die toen echt zwaar was zorgde dat voor erg veel uitvallers. Nu was die eerste dag veel beter te doen en daarmee haalden een pak meer lopers de aankomst. Van 30% van de starters ging het finishpercentage naar 50% van de starters. Op het feit dat we nu een pak meer daglicht hadden hielp daarbij. Terugkijkend blijft dit een van mijn favoriete wedstrijden.

Een week na de Dragon’s Back Race liep ik al een ander wedstrijdje. Deze keer ging ik het iets minder ver zoeken. In de Ardennen, in Chiny, deed ik mee aan een rogaine van zes uur. Een rogaine is een orientatieloop waarbij je in een vaste tijd zoveel mogelijk posten moet vinden. Elke post levert een bepaald aantal punten op en wie op het einde het meeste punten verzameld heeft is de winnaar. Dat betekent dat verschillende factoren doorslaggevend zijn. In eerste instantie moet je goed kunnen orienteren. Daarnaast moet je gewoon goed kunnen lopen. En uiteindelijk moet je ook nog wat kunnen puzzelen om een efficiente route hebben. Dergelijke wedstrijden worden steeds in kleine ploegjes gelopen. Mijn ploeg was Droopy & Yeti, waarmee je waarschijnlijk wel kan raden dat Droopy mijn teamgenoot was.
Het grote probleem die dag was de hitte. Het was een van de warmste dagen uit de geschiedenis en dan is zes uur gaan lopen niet zo evident. Zeker niet met een yeti in de ploeg. Iedereen heeft ongetwijfeld een pak trager gelopen dan gewoonlijk door de weersomstandigheden. Wij vertrokken redelijk goed, vonden al snel de eerste posten en na een post of drie zagen we niemand meer lopen. Geen idee of we nu zoveel sneller dan de rest liepen, of dat we gewoon een originele route hadden. In totaal stond er een indrukwekkend aantal van 84 posten op de kaart waarmee je natuurlijk een gigantisch aantal mogelijkheden bekomt. De meeste posten konden we snel vinden, maar er waren er een paar waar we toch redelijk de mist in gingen. Die hebben ons toch wat tijd laten verliezen. Onze strategie was om vooral het noorden van de kaart op te kuisen. Daar lagen de meeste posten met veel punten en kon je dus goed scoren. Na een uur of twee kregen we het beiden toch lastig met de warmte en zakte ons tempo toch een beetje. Geen nood, we bleven vlijtig verder posten oprapen en met nog een klein uurtje te gaan was het noorden helemaal opgeruimd. Dat klopte redelijk goed met onze timing. Er restte nog net genoeg tijd om terug te lopen en in de laatste overblijvende minuten nog een paar posten vlak bij de aankomst mee te nemen.
Daarmee zat voor ons het werk er op en begon het grote werk voor de organisatie: al die punten beginnen tellen. Uiteindelijk kwamen we een totaal van 370 punten verzameld in 51 posten. De winnaars hadden er 377 en dan was er nog een team met 376 punten. De andere teams hadden een heel pak minder punten. Een erg nipte uitslag dus, waarbij elk van die drie teams had kunnen winnen. En waarbij wij aan het kortste eind trokken. Wat zeker niet slecht is voor twee lopers die maar heel uitzonderlijk aan een oriëntatieloop deelnemen. Het was voor ons beiden in elk geval een goede training. Dergelijke rogaines zijn eigenlijk iets dat ik wel vaker zou willen doen. Het probleem is alleen dat er zo weinig van zijn.

Posted in Nieuwsbrief | Leave a comment

Nieuwsbrief mei 2015

Het grote voordeel van mei is dat je daar steeds een paar lange weekends hebt die je toelaten om eens een minder klassieke bestemming te kiezen. Het eerste van dergelijke weekends is met Hemelvaart. Tijdens die paar dagen trok ik eens richting Oekraïne. Tegenwoordig komt dat op een nogal dubieuze manier in het nieuws, maar als je de andere kant van het land kiest mag dat geen enkel probleem opleveren. Aan de andere kant, de westkant, heb je dan toevallig ook nog de Karpaten. In Roemenië, Polen en Slovakije was ik eerder al in de Karpaten, maar het Oekraïense stuk was nieuw voor mij. Hoewel maar een erg klein stukje van de Karpaten in Oekraïne ligt, is dat nog zeker groot genoeg om je een paar weken bezig te houden. Zoveel tijd had ik natuurlijk niet. Ik moest er dus een deeltje uitkiezen en ging gewoon voor wat het makkelijkst met de trein bereikbaar is vanuit Lviv.

Na een treinreis van anderhalf uur (die omgerekend toch wel iets meer dan een euro kostte) stapte ik af in Skole. Dat ligt aan de noordkant van de Karpaten. Het plan was dus simpelweg om min of meer naar het zuiden te lopen en een paar dagen later en een paar stations verder terug op de trein te stappen. Mijn timing was perfect. Bij het binnenrijden van Skole begon het te regenen. Het regende nooit hard, maar het zou de hele dag niet meer stoppen met regenen. Ik koos een beetje op goed geluk een pad dat er volgens de kaart veelbelovend uit zag. De eerste vaststelling is dat het gebied erg bebost is. Het pad slingert zich over de flank van de vallei omhoog. De kaart bleek redelijk goed bij de realiteit aan te sluiten, wat veelbelovend is, maar hier en daar was toch redelijk wat fantasie nodig om beide te laten overeen komen. Het is vooral de precisie van de kaart die niet denderend is en het onderhoud van de paden is duidelijk ook geen topprioriteit.

Zo passeerde ik aan Ozero Zhiravline. Volgens de kaart heeft dat de ambitie een toeristische attractie te zijn. Op dat moment was het gewoon een miezerig meertje in de regen. Daarna trok ik verder omhoog. Daar bleek de overeenkomst tussen paden op de kaart en paden op het terrein nog meer bij de haren getrokken te zijn. De bomen die over het pad gevallen zijn eens opruimen lijkt me ook geen overbodige luxe. Ik had de indruk dat er soms meer bomen op het pad lagen dan dat er naast stonden. Verrassend genoeg kwam ik aan een paar mooie kalksteenformaties. Het pad slingerde er wat kriskras doorheen en plots vond ik het niet meer.

Dan ga ik maar op goed geluk dwars door het bos in de min of meer juiste richting. Paden zijn uiteindelijk toch maar voor softies. Uiteindelijk kwam ik zo toch terug op een pad dat ik op de kaart kon terugvinden. Ergens in de loop van de namiddag passeerde ik in de buurt van een oorlogsmonument. Daarnaast stond een soort van schuilafdakje annex kapel. Hoewel het nog erg vroeg was besloot ik daar te stoppen en te overnachten. Het was nog altijd aan het regenen en na de natte slaapzakervaring van een paar weken tevoren in Zwitserland speelde ik liever op veilig. Daarmee was mijn eerste dag in de Karpaten behoorlijk kort.

Die strategie bleek goed gedacht van mij, want de volgende dag de volgende dag klaarde de lucht helemaal op. Stralend blauwe lucht en een zonnetje zorgen voor een aangename afwisseling met de miezerdag die ik achter de rug had. Ik zat boven op een heuvelrug en de meest logische weg was eigenlijk om die heuvelrug gewoon zuidwaarts te volgen. Dat deed ik dan ook. Het grootste deel van de tijd liep er volgens de kaart een pad. Meestal bestond dat nog ook. Verkeerd lopen lukt daar ook al niet zomaar. Als je niet op het hoogste punt bent, ben je waarschijnlijk verkeerd bezig. De stukken waar volgens de kaart geen pad was, kon je er ook vanop aan dat er op het terrein ook geen zou zijn. Meestal was het op die stukken zodanig steil dat geen zinnig mens er op of af zou willen. Daar ging ik dan maar dwars door het bos heen. Meestal lukte dat zonder grote problemen, maar soms waren de struiken behoorlijk dicht en moest ik toch een beetje zakken om sneller vooruit te geraken. In de namiddag kwam ik dan op een stuk waar volgens de kaart gemarkeerde wandelroutes waren. Vergeet dat maar. Op veel meer dan een markering om de vijf kilometer moet je echt niet rekenen. Op een pad moest ik grote stukken ook al niet rekenen. Toch niet op een pad dat de juiste richting uit liep. Niet dat ik dat erg vind, maar het zorgt ervoor dat je een heel pak trager vooruit komt dan je op voorhand denkt.

Mijn derde dag bleef ik die heuvelrug volgen. Wanneer die vertakt naar een oost-west georiënteerde kam, kies ik voor oostelijke richting. In die richting lag nu eenmaal de spoorlijn. Het landschap veranderde hier. In plaats van volledig bebost tot de top waren de heuvels nu kaal vanop zekere hoogte. Waarbij die zekere hoogte niet heel ver onder de toppen ligt. De heuvels zijn er ook wat hoger. Terwijl ik de eerste dag amper de duizend meter hoogte bereikte, kwam ik nu soms in de buurt van de 1500 meter. Ik kan die kale toppen wel appreciëren. Die zorgen er voor dat je een veel beter uitzicht hebt dan wanneer een volledig bos het zicht belemmert. Zo naderde ik toch opnieuw de beschaving en een paar dorpjes om dan uiteindelijk af te dalen naar Volovets. Dat heeft een station waar ik de trein terug naar Lviv kon nemen. Een ticket voor de trein kopen had de nodige voeten in aarde. Ik snap nog altijd niet helemaal wat het probleem was, maar zonder kennis van Oekraïens of Russisch verstond ze echt geen woord van wat je zegt. En versta je ook geen woord van de uitleg die zij afratelen.

Na Hemelvaart komt natuurlijk Pinksteren. Ik profiteerde daarvan om nog eens naar Zwitserland een wedstrijdje te gaan lopen. Dat was de Juracime, een bergloop in vijf etappes op vier dagen doorheen de Jura. De etappes varieren in lengte van 7 tot 23 kilometer. Voor mij is dat dus gigantisch kort en snel. De wedstrijd is ook zeker niet de mooiste die er te vinden is. Waarom ging ik er dan toch heen? Vrij simpel. Op de dikke tweehonderd deelnemers waren er meer dan zestig Belgen. Het grootste deel zijn er dan nog waar ik regelmatig mee samen train. Het was gewoon een gezellige clubuitstap. Ambitie had ik niet echt vooral omdat mijn achillespees zich al een paar weken onaangenaam liet voelen. Die zou beslissen hoe hard ik kon doorlopen.

De eerste etappe is de vrijdagavond. Het is een korte etappe van zeven kilometer met vijfhonderd hoogtemeters. Na een vlak stuk in Tavannes gaat het omhoog tot de top van de Wertberg. Na een hele dag in de bus zitten is dat even een schok. De start ging natuurlijk veel te rap voor mij. Ik beperkte me tot wat achter de feiten aanhollen. Eens de beklimming begon schoof ik dan rustig wat naar voren op. Niet zo ver voor mij liep Bastien die een ideaal mikpunt vormde. Die schoof ook naar voren op zodat de afstand tussen ons steeds ongeveer gelijk bleef. Ik werkte de etappe af in 35 minuten als veertiende.

De volgende ochtend stond de tweede etappe op het programma. Met 22 kilometer en 900 postitieve hoogtemeters was dat al iets meer mijn ding. De start was gelukkig niet al te heftig en ik volgde kort na de kopgroep. Tijdens de eerste tien kilometer moesten we ongeveer zevenhonderd meter klimmen, dus al snel werd het parcours iets pittiger. Blijkbaar zat ik redelijk goed op positie. Een paar lopers die direct moesten lossen van de kopgroep haalde ik direct bij, maar de rest zag ik voor mij uit het zicht verdwijnen. Alleen Tom bleef niet zo heel ver voor me uit lopen en fungeerde als een uitstekend mikpunt. Tegen het einde van de beklimming kwam ik bij hem en ging hem voorbij. Dalen is duidelijk niet zijn sterkste punt, want ik liep erg vlot van hem weg.

Mijn afdaling was niet super, maar ik liep toch vrij vlot. Ver voor me uit kon ik wat volk zien, maar dat waren echt wel al grote verschillen om even dicht te lopen. Een verhard stuk in die afdaling deed niet bepaald deugd, maar waarschijnlijk was dat voor iedereen zo. Ik ken eigenlijk niemand die graag op straat daalt. Na de afdaling volgt een redelijk vlak stuk waar ik toch wat moeite had om het tempo hoog te houden. Op een kilometer van de aankomst is er een nog een nijdig klimmetje dat ik nog vlot opliep. Velen gaan daar redelijk zwaar dood. Ik kwam toe na 1u42 als zevende. In het klassement rukte ik eveneens op naar de zevende plaats met de niet bepaald riante voorsprong van twee seconden op Tom. Dat belooft een mooie strijd.

De derde etappe volgde al een paar uur later. Dit was een vrij korte tijdsloop van zeven kilometer. Het gaat een klein beetje op en neer, maar niets om over naar huis te schrijven. Tijdsloop wil zeggen dat iedereen individueel start. Om de twintig seconden start een loper en dan probeer je gewoon zo veel mogelijk vol in te halen en zo weinig mogelijk ingehaald te worden. Een beetje jammer is dat de startvolgorde volgens borstnummer was. Ik vind het altijd leuker als ze zoiets volgens omgekeerde volgorde in het klassement doen. Nu had ik de twijfelachtige eer dat de leider in de tussenstand veertig seconden achter mij zou starten. De strategie was daar zo lang mogelijk voor blijven en op het moment dat hij passeert zo goed mogelijk aanpikken.

Na vier minuten had ik het al aan mijn rekker. Volgen zat er ook niet in. Het was echt erop en erover. Gelukkig had ik toen zelf al de twee lopers voor mij ingehaald om toch een beetje een goede moraal te hebben. Daarna moest ik maar proberen om zelf het tempo hoog te houden. Ik had het daar toch moeilijk mee. Regelmatig haalde ik lopers bij, maar het snelheidsverschil met mij was zodanig groot dat ik daar eigenlijk niets aan had. Het einde is een afdaling waar je nog eens alles eruit kan persen. Ik werkte de afstand af in 26 minuten, wat me voor deze etappen een 19e plaats opleverde. In de tussenstand zakte ik terug naar de tiende plaats. Tom was erin geslaag om welgeteld drie seconden sneller dan mij te lopen, wat hem in de stand een seconde voor mij plaatste. Wat een spanning.

De vierde etappe is de koninginnenetappe. In 19 kilometer gaat het een kleine duizend meter omhoog. De aankomst ligt boven op de Chasseral die met zijn 1606 meter hoogte de hoogste top in de omgeving is. Net als bij de tweede etappe volgde ik een beetje na de kopgroep. Ook hier ging het direct omhoog en dat zou het eigenlijk blijven doen tot kort voor de aankomst. Na een kilometer was het over en uit. Mijn achillespezen hadden zich twee dagen goed gehouden, maar nu lieten ze zich te veel voelen om verder te lopen. Ondertussen weet ik wel hoe ver ik daarmee kan gaan om na afloop niet voor lange tijd buiten strijd te zijn. Stappen ging gelukkig wel zonder pijn en dat besloot ik dan maar te doen. Op een dergelijk parcours kan ik al stappen nog altijd gewoon in het pak eindigen. Elke beklimming stapte ik terwijl ik de zeldzame vlakke of dalende stukjes liep. Als ik liep ging ik iedereen voorbij, maar de beloopbare beklimming verloor ik echt veel terrein. De echt steile beklimmingen waar iedereen stapt, ging ik dan weer sneller dan de lopers rond mij.

Het gaf met de mogelijkheid om wat van het uitzicht te profiteren. En dat uitzicht is er zeker. Deze etappe is veruit de mooiste van de hele wedstrijd. We hadden ook nog het geluk van een stralend blauwe lucht en zo goed als geen wind. Vooral dat laatste schijnt daar behoorlijk zeldzaam te zijn. In het klassement kon ik natuurlijk helemaal niks meer betekenen. Kort voor de top passeerden we een sneeuwplek. Daarvan profiteerde ik om een paar sneeuwballen te maken. Eentje was voor Luc die net voor me liep en de andere mocht Vincent aan de aankomst incasseren.

De laatste etappe op maandagmorgen is hoofdzakelijk dalend. Daarom besloot ik toch maar te starten met dezelfde strategie als de dag tevoren. Ik had de pech dat er eerst een paar honderd meter bergop waren. Iedereen begon te lopen terwijl ik vol goede moed begon te stappen. Alleen twee zestigers stapten nog trager dan mij. Alle anderen liepen van mij weg. Na die paar honderd meter begon het gelukkig te dalen. Ik begon te lopen en liep een heel pak volk voorbij. Na een paar kilometer had ik ongeveer mijn plaats in het peloton gevonden. Bergop werd ik voorbij gelopen, op de vlakke stukken liep ik dezelfde mensen terug voorbij en de volgende beklimming waren het terug dezelfden die me passeerden. Er zijn er die ik een tiental keer gezien heb tijdens de wedstrijd. En zo haalde ik toch de aankomst van die laatste etappe.

Momenteel probeer ik vooral die achillespees terug in orde te krijgen. Het gaat in elk geval de goede kant uit. Dat zal ook nodig zijn want over een paar weken begin ik een reeks wedstrijden waarbij ik ze hard nodig zal hebben.

Om af te sluiten geef ik nog mee dat van mijn passage over Pinnacle Ridge waar ik in de vorige nieuwsbrief schreef een filmpje online staat. Het is een promofilmpje voor een wedstrijd die daar in september over passeert. Te zien op https://youtu.be/LckA52GFDK8. En nee, ik verdien daar niks aan. Het is gewoon een parcours waar ik erg veel zin in heb.

Posted in Nieuwsbrief | Leave a comment

Rogaine Barcelona: een analyse

In maart nam ik samen met Siebrig deel aan de Barcelona Rogaine. Zoals de naam laat vermoeden gaat deze door in de buurt van Barcelona, in Spanje. Als twee niet orientatielopers vind ik dat we het er vrij goed van af hebben gebracht, maar dat wil ik natuurlijk wel eens wat meer in detail bekijken. Vandaar, een analyse van onze prestatie.

Eerst en vooral: hoe goed of hoe slecht deden we het nu eigenlijk. Hieronder staat een grafiek van het aantal gescoorde punten in functie van het aantal gevonden posten.
Punten in functie van aantal posten
We zien een erg mooie correlatie tussen het aantal posten en het aantal punten. Dat zal waarschijnlijk niemand verwonderen. Om goed te scoren moet je in de eerste plaats langs genoeg posten passeren. En daarvoor moet je in de eerste plaats hard kunnen lopen. Soms is het leven simpel. Wij zijn de rode bol. Zoals je ziet staan we behoorlijk goed geplaatst, zij het op respectabele afstand de echt goede ploegen. Er zijn ook een paar oranje bolletjes. Dat zijn de teams die over tijd zijn toegekomen. Dan krijg je strafpunten, wat hun natuurlijk wat naar onder duwt.

Laat ons even kijken bij welke posten al deze punten gescoord werden. Hieronder staat voor elke post hoeveel keer hij gevonden werd. De rode zijn degene die wij vonden, de blauwe lieten we voorbij gaan.
Aantal keren dat de posten gevonden werden.
Je ziet dat ze de meeste hoog scorende posten netjes opraapten. De meest in het oog springende is post 85. Achteraf bekeken hadden we die gewoon moeten meenemen. Aan het einde van de wedstrijd waren onze keuzes eerlijk gezegd niet altijd de beste. Daar hebben we toch wat punten laten liggen. De andere 8- of 9-punters die we niet aandeden zijn 82 en 93. Maar je ziet dat die niet bijster populair waren. Die lagen gewoon redelijk afgelegen. Bij de populaire posten die we niet aandeden zien we vooral 33, 71 en 75. Post 75 is mijn grote frustratie van de wedstrijd. Die lag aan de andere kant van het pad dan wat op de kaart stond aangeduid. We hebben daar redelijk wat tijd verloren om uiteindelijk met lege handen verder te gaan. De meerderheid van de ploegen is uiteindelijk duidelijk wel eens naar de overkant van het pad gaan kijken. Nummer 71 is dan weer eentje die niet ver van start en aankomst lag. We hadden die bewaard voor als er op het einde wat tijd over zou zijn, maar daar zijn we niet aan toegekomen. Nummer 33 zijn dan weer wat makkelijke punten die we op het einde laten liggen hebben. Die hadden ze eigenlijk ook moeten hebben.

Daarmee zien we al of onze keuzes wat overeen kwamen met die van de rest. Maar waren we snel om onze posten te vinden? En waar waren we erg sterk of gingen we juist helemaal de mist in? Hieronder kan je van elk tussenstuk zien hoe lang wij en de andere teams er over deden om van de ene naar de andere post te geraken. Het rode bolletje zijn wij. Ik beperk me natuurlijk tot de verbindingstukjes die wij gelopen hebben. De andere interesseren me een stuk minder.
Tijd voor elke verbinding
Je ziet dat een paar ploegen er wel heel lang over deden om een bepaald stuk af te leggen. Ik zoom daarom wat in op de onderste helft van de plot.
Tijd voor elke verbinding
Meestal zien we dat wij bij de snellere teams waren. Een paar teams (die gewoonlijk voor ons eindigden) zijn rapper, maar de meerderheid ging een stuk trager. Over het algemeen niet slecht gedaan. Een paar van de trajecten zijn toch wat bijzonder.
Het eerste dat er afwijkend uit ziet is 51-42. Sommige teams deden er gigantisch lang over, met een uitschieter van 40 minuten. Die was inderdaad niet zo eenvoudig te vinden. Wij hadden het geluk dat we dit als een van de eerste posten deden waardoor nog vele ploegen samen zaten en het zijn anderen die het voor ons gevonden hebben. Alleen hadden we daar zeker en vast veel tijd kunnen verliezen.
Een volgende opmerkelijk stuk is van 65 naar 74. Hier waren we plots een stuk trager ten opzichte van de rest. De reden is een fout van mij. Ik had nogal laat door dat ofwel mijn kompas niet klopte ofwel we niet op het pad zaten waarop we moesten zitten. Zoals gewoonlijk loog het kompas niet.
Vervolgens, op weg naar 92 waren we wel erg goed. Dit wist ik tijdens de wedstrijd. De post was niet zo evident wat verloren op de helling geplaatst, maar we hebben die echt perfect aangedaan. Potentieel kon je hier erg veel tijd verliezen. Sommigen hebben dat dan ook gedaan, met een uitschieter die er een vol uur over deed om de post te vinden. Hoeveel de post niet gevonden hebben kunnen we natuurlijk niet zien.
Op weg naar de volgende post (66) deden we onze bonus opnieuw teniet. Hier hadden we problemen met erg dichte vegetatie (inclusief doorns) waar we amper door geraakten. Op de kaart was geen onderscheid naar vegetatie te zien, dus dit moeten we als pech klasseren. Door een lichtjes andere lijn te nemen heb je mogelijk geluk en win je een tiental minuten.
Vervolgens van 36 naar 46… Dat is langsheen de fameuze post 75 die we niet vonden. De ploegen die post 75 wel vonden heb ik hier aan toegevoegd. De meeste ploegen waren dus sneller dan ons een hadden onderweg nog eens zeven punten gescoord die wij niet hadden. Het blijft het meest frustrerende moment van de wedstrijd.
Het volgende dat me verrast is van 81 naar 84. Blijkbaar waren we daar de snelste ploeg. We liepen er inderdaad wel goed en vonden de post direct, maar dat was naar mijn mening een evidente post. Ik had dus verwacht dat de andere ploegen die even moeiteloos als wij zouden gevonden hebben. Dat wij de snelste waren en dat velen er blijkbaar moeite mee hadden verwondert me.
Verderop zitten geen grote verrassingen. Er zijn een paar posten waar we behoorlijk snel waren en een paar waar we een paar keer goed op de kaart gekeken hebben, maar over het algemeen hebben we die gewoon op ons niveau gelopen. Op het einde zie je dat een bepaald traject maar door erg weinig ploegen werd gelopen. Daar waren onze keuzes waarschijnlijk niet de meest ideale. De andere kozen gewoon een betere weg.

Om af te sluiten stel ik nog even op een geschetste kaart voor wat het meest populaire parcours was. Het bedriegt natuurlijk behoorlijk, want geeft je geen enkel idee van reliëf en dergelijke.
Schets van het parcours
De bollen stellen de verschillende posten voor en hoe dikker de bol, hoe meer punten hij opbracht. De blauwe bol in het noordwesten is de start en aankomst. Vandaar dat daar zoveel lijntjes uit allerlei richtingen toekomen. Elk rood verbindingslijntje is een verbinding die door minstens een ploeg werd gelopen. Hoe dikker het lijntje, hoe meer ploegen de verbinding liepen. De route die wij liepen is de brede groene lijn. We liepen in wijzerzin.
Je ziet dat onze keuzes overeen komen met die van de meerderheid. Dat geeft aan dat we op het goede spoor waren en niet al te absurd gedacht hebben. Opnieuw zie je dat we op het einde een paar minder logische keuzes maakten waarmee we toch een paar extra puntjes laten liggen hebben. Maar al bij al een erg mooi resultaat van ons.

Posted in Lopen | Leave a comment

Nieuwsbrief april 2015

Eerst start ik even met een huishoudelijke mededeling. Een commentaar die ik soms hoor op mijn nieuwsbrieven is dat ze te lang met te veel tekst zijn en daarom niet aangenaam om te lezen in een mail. Een volledig terechte opmerking.
Om daar wat aan tegemoet te komen ben ik begonnen met het maken van een versie aangevuld met foto’s, eventueel eens een kaartje en waarbij ik in het algemeen naar een aangenaam leesbaar geheel streef. Deze worden niet rondgemaild, maar kan je vinden op http://www.kleineyeti.be/nieuwsbrief. Op dit moment staan de nieuwsbrieven van januari, februari en maart 2015 er al.
Ik probeer daar het verzendingsritme te volgen met een maand vertraging. Concreet hoop ik dat deze nieuwsbrief ertussen zal staan wanneer ik die van mei verzend. Al maak ik daar niet echt harde beloftes over. Zo, en daarmee kunnen we over naar de gewone orde van de dag.

Het eerste dat over april te melden valt is dat ik me nog eens met oriëntatielopen heb bezig gehouden. Diep in de Ardennen, aan de rand van mijn standaard trainingsterrein werd de HOCup georganiseerd. Dat is goed voor twee dagen oriëntatielopen. Ik pik dat graag eens mee als een alternatieve training. Meestal zijn die dingen wel redelijk kort. Ik rekte de training de beide dagen dus wat op door anderhalf uur naar de start te lopen en daarna nog terug. Op zaterdag was dat een regionale veldloop in Vierves. De eerste helft werd in het dorp gelopen. Dat dorp is een ware doolhof met een heel pak steegjes en doorsteekjes. Het meeste tijd verloor ik bij de start. Ik kreeg de kaart en het duurde een hele tijd voordat ik door had waar de eerste post ergens was. Tussen all die lijntjes en bolletjes viel mijn oog gewoon niet op het nummertje een. Daarna ging het wel redelijk vlot. Je kan goed doorlopen en daar ben ik toch nog altijd het sterkste in. Al volgen de posten wel heel snel op elkaar voor mij. De tweede helft lagen de posten in het bos op de flank van de Viroin. Dat vind ik toch een stuk leuker. De meeste posten gingen nog steeds vlot al heb ik naar post 25 toch een ferme fout gemaakt. Eigenlijk moest je daar gewoon een klein stukje over een plateau, maar ik ging stomweg helemaal omhoog en daarna terug steil omlaag. Een stommiteit die me toch een tweetal minuten zal gekost hebben. Uiteindelijk werd ik hier twaalfde in iets meer dan veertig minuten.

De dag erna was het nabijgelegen Olloy de plaats waar de wedstrijd doorging. Deze keer ging het om een nationale wat wil zeggen dat het parcours een stuk langer en lastiger is en de tegenstand een pak sterker. Hier werd het parcours uitgezet door Fabien, wat wil zeggen dat het echt wel de moeite is.
Hier liepen we de hele tijd dwars door het bos, dikwijls lange stukken dwars door alles heen, met een heel pak hoogtemeters en posten die soms niet echt evident te vinden zijn. Ik ben daar eerlijk gezegd niet zo heel sterk in. Het lukt me wel om alle posten te vinden maar de kortste of snelste weg ontgaat me regelmatig op het moment zelf. Het was echt een gevarieerde omloop met vele posten in het bos boven op een helling, sommige in de vallei en op het einde een heel stuk doorheen een rotszone. Na twee en een half uur lopen stond ik aan de uitslag. Je laat daar je chip uitlezen en krijgt een soort kassaticket met je resultaat op. Bij mij stond er NCL op, wat staat voor Non Classé. Gediskwalificeerd dus. Eens nakijken van mijn tussenpunten en het bleek dat ik stomweg vergeten was om naar de achttiende post te lopen. Deze lag amper een paar tiental meter van de zeventiende, maar ik zat met mijn hoofd duidelijk al verder en vertrok direct naar nummer negentien. Erg stom en het heeft me zelfs amper een voordeel opgeleverd. Toch blijf ik het een erg leuke wedstrijd vinden. Fabien heeft echt een meesterwerkje afgeleverd.

De week daarna vloog ik nog eens naar Engeland. Deze keer reisde ik helemaal naar het Lake District. Vanuit Ambleside begon ik te lopen. In eerste instantie liep ik naar de top van Red Screes. Daar heb je een echt mooi uitzicht over Ambleside en dan verder Lake Windermere. Tot mijn grote verrassing kon ik dat allemaal zien. Het was namelijk een dag met stralend blauwe lucht. Iets dat ik nog maar erg zelden meegemaakt heb in het Lake District. Meestal loop ik daar in de regen en de mist te knoeien. Van Red Screes boog ik af naar het westen en liep via Dove Crag tot Fairfield. Daar liep ik gewoon recht omlaag naar Grisedale Tarn. Erg steil en zeker niet hoe het pad loopt, maar eigenlijk wel goed te doen als je een beetje je weg zoekt tussen de steenvelden.
Daarna ging ik doorheen het Grisedale en kroop recht omhoog naar het begin van Striding Edge. Dat is erg leuk loopterrein. Het is een rotsgraad naar de top van Helvellyn die vrij spectaculair is. Je kan netjes op de graad blijven met aan beide kanten een steile rotswand. Het is een van de klassieke wandelingen in het Lake District en ik moet tot mijn schande bekennen dat ik er nog nooit geweest was. Het was zelfs de allereerste keer dat ik boven op Helvellyn stond, hoewel die als derde hoogste berg van Engeland (of tweede hoogste afhankelijk van de gebruikte definitie van berg) erg populair is. Van daar uit volgde ik de bergkam over Nethermost Pike en Dollywagon Pike terug naar Grisedale Tarn. Tegen dan begon het al redelijk laat te worden en ik bivakkeerde niet ver van de tarn. Het was niet bijster warm en redelijk winderig, maar een erg mooi slaapplaatsje.
De volgende ochtend liep ik terug het Grisedale door, maar deze keer contourde ik over de oostwand. Daar ligt geen pad, maar daar trek ik me natuurlijk niks van aan. Zo ging ik verder tot de voet van Pinnacle Ridge.
Zoals de naam het laat vermoeden is dat een graat, met daarop een paar scherpe, uitstekende rotsblokken. Dat zijn de “pinnacles” waarnaar de graat genoemd is. Het is een van de beroemdste “scrambles” in het Lake District. Op handen en voeten de rotsen opkruipen wil dat eigenlijk zeggen. Deze is een zogenaamde grade III scramble, wat op een schaal van I tot III is. Het is dus net onder rotsklimmen. Die klim even testen was het hoofddoel van mijn komst naar Engeland. In september wil ik een wedstrijd lopen die over Pinnacle Ridge passeert en op voorhand wilde ik dat toch eens verkend hebben. Toen ik aan de voet kwam stond Steve al te wachten en koud te krijgen. Ik leende hem even mijn donsjas zodat hij wat op kon warmen. Wat later kwam ook Charlie toe en begonnen we samen de beklimming.
Dat ging eigenlijk vlotter dan ik verwacht had. Het helpt als je de weg wat kent (Steve en Charlie kenden die helemaal vanbuiten) maar het grootste deel van de tijd is het totaal evident waar je handen en voeten moet zetten. Er zit maar een hoekje in van een meter of vijf hoog waar je een beetje moet zoeken naar het goede houvast. Sneller dan ik het verwachte waren we over de pinnacles en stonden we boven op de ridge. Daar liet ik Steve en Charlie achter die nog wat op de graat zouden spelen en stapte verder tot de top van Saint Sunday Crag. In tegenstelling tot de dag tevoren was de lucht vol met wolken. Die kwamen niet bijster hoog en op de top stond ik gewoon in de mist. En begon het te regenen. Dit moet Engeland zijn.
Van Saint Sunday Craig liep ik gewoon terug naar Ambleside langs Fairfield en High Pike. Daar kon ik dan de bus en verder de trein nemen om terug naar huis te vliegen. Het grootste probleem met het Lake District is dat het iets te ver van luchthavens ligt om interessant te zijn voor een weekend.

De week erna had ik nog eens een wedstrijd voorzien. Voor zijn tiende editie had de Bouillonnante (zoals de naam het laat vermoeden zijn start en aankomst in Bouillon) een afstand van honderd kilometer voorzien. In de beginjaren van de wedstrijd liep ik er een paar keer, maar de laatste jaren liet ik Bouillon steeds links liggen. De reden is vooral dat de inschrijvingen een half jaar op voorhand open gaan en op een paar uur volledig vol zitten. Voor wedstrijden in de Ardennen schrijf ik me bijna nooit zo ver op voorhand in, maar die neem ik er gewoon tussen als ik even geen andere plannen heb.
Voor de honderd kilometer, die er uiteindelijk 104 bleken te zijn, maakte ik eens een uitzondering. En dan nog stond ik in eerste instantie op de wachtlijst omdat ik het vertikte om hiervoor om middernacht achter de pc te gaan zitten.
Mijn wedstrijd was geen succes. De vrijdag ervoor stond ik op met een ferme verkoudheid. Je kent dat: mottig zijn, keelpijn, koppijn, snot, hoesten… Je gaat er niet dood van, maar leuk is het niet echt. Met een nacht of twee goed slapen geraak je daar wel van af. Het probleem is dat een paar uur later om middernacht de start al werd gegeven. En had ik geen mogelijkheid om in de loop van die dag wat uit te rusten.
Aan de startstreep op de binnenplaats van het kasteel van Bouillon had ik meer goesting om in mijn bed te kruipen dan om een wedstrijd te lopen. Ik nam het vrij rustig en was ongeveer vijftigste bij de start. Eens ik begon te lopen voelde ik me gelukkig een stuk beter. OK, dan probeer ik gewoon en we zien wel hoe ver ik kom. Ik schoof rustig op naar voren tot bij een groepje dat achter wat vroege lopers aanliep. Dat viel dan wat uit elkaar en een hele tijd liep ik samen met Aaike en Thomas. Voor ons alle drie was het een aangenaam tempo waaraan we zonder problemen konden lopen kletsen. Wat verder kwam ook André erbij. Leuk, want die had ik al erg lang niet meer gezien.
Zo ging het verder tot we een goed uur ver waren. Toen ging bij mij gewoon het licht uit. Niet verwonderlijk natuurlijk. Gezien mijn toestand ga ik dan niet forceren en krampachtig proberen om verder te gaan. Ik ging rustig verder tot de eerste bevoorrading na 29 kilometer waar ik uitstapte. Daarna probeer ik gewoon om zoveel mogelijk slaap in te halen. Eerst een beetje in mijn overlevingsdeken in het bos en daarna gewoon in mijn bed in de jeugdherberg. De timing van ziek worden was wel erg ongelukkig, maar eerlijk gezegd kom ik dat veel liever tegen in Bouillon dan voor een echt interessant wedstrijd. Daarvan heb ik er later op het jaar van eind juni tot begin november nog meer dan genoeg voorzien.

De week erna was ik terug op stap. Jullie hebben al lang door dat ik in het weekend niet veel thuis ben. Deze keer ging ik naar Zwitserland. Het plan was zoals vaak nogal vaag. Afhankelijk van hoeveel sneeuw er nog zou liggen wat bergen van geschikte hoogte kiezen en daar wat rondlopen. Volgens mijn info was er nog redelijk wat sneeuw boven de tweeduizend meter en ook groot risico op lawines. Dan kies ik voor niet al te hoge bergen. Mijn oog viel op de keten tussen het Lac Léman en de Mont Blanc. Zeker aan de noordkant is die niet bijster hoog.
Met de trein ging het tot Aigle waar ik ‘s avonds toekwam en een plaatsje voor mijn bivakzak zocht en vond. Het weerbericht dat ik op voorhand gezien had gaf dan wel wolken, maar beloofde dat het droog zou blijven. Toen het begon te regenen maakte ik me dan ook niet echt zorgen en ging ervan uit dat het na een paar druppeltjes wel over zou waaien. Zeker niets om aandacht aan te besteden. Dat bleek een flinke vergissing.
De volgende ochtend regende het nog altijd en in mijn naïviteit had ik de bivakzak niet goed gesloten. Wat wil zeggen dat er de hele nacht wat water was blijven binnensijpelen en mijn donsslaapzak als een spons al het water had opgezogen. Die was dus helemaal nat. Dat is een ferm probleem. De slaapzak volledig laten drogen is de enige oplossing, maar waar doe je dat als het maar blijft regenen? Gelukkig had ik Siebrig als reddende engel en zo kwam ik in het Saastal terecht hoewel ik dat op voorhand helemaal niet van plan was. Er ligt daar nog te veel sneeuw en er is lawinegevaar.

Ik probeerde toch en liep een eerste dag richting Hannig, een bergbaanstation op iets meer dan 2300 meter hoogte. Daarvoor moest ik eerst omhoog naar Saas-Fee. Ik was nog maar aan de bovenste huizen van het dorp toen ik een lawaai hoorde als een passerende trein in de verte. Dat kan het natuurlijk niet zijn want daar is geen velden of wegen een trein te bespeuren. Het was de eerste lawine van de dag en die kwam tot stilstand net buiten het dorp. Niet lang erna hoorde ik een tweede lawine. Die kwam dan aan de overkant van de vallei naar beneden. Vanaf een tweeduizend meter hoogte zat ik volop in de sneeuw. Geen probleem want zelfs in de winter zorgen ze ervoor dat richting Hannig een pad begaanbaar blijft. Op Hannig zelf kan ik dan even van het uitzicht genieten. Absurd genoeg had ik tijdens mijn training stralend weer. De grootste teleurstelling op Hannig was dat de glijbaan van de speeltuin afgesloten was met een houten plank. Ik kon er niet eens een keertje afglijden.
Van Hannig ging het omlaag langs een sneeuwschoenpad. Een bijzonder gladde bedoening was dat. Sommige stukken viel ik meer dan dat ik overeind kon blijven. Ik passeerde even naar het spoor van de lawine die ik eerder gezien had. Gewoon helemaal aan het uiteinde en klaar om weg te spurten als ik boven mij gerommel zou horen natuurlijk. Het was best wel indrukwekkend om te zien. De sneeuwblokken die om laag waren gekomen torenden een eind boven mij uit.
Daarna probeerde ik aan de overkant van de vallei omhoog te gaan en naar Saas-Almagell door te steken. Dat ging goed tot ik in de buurt van de boomgrens kwam. Toen was ik al regelmatig diep aan het wegzakken in de sneeuw. Een spoor viel hier van geen kanten te bekennen. Aan de boomgrens zelf werd het helemaal penibel. Ik zakte voortdurend weg tot boven heuphoogte. Dat zijn toch ondernemingen waar je niet veel aan hebt en ik besloot dan ook wijselijk om te keren en rechtstreeks naar Saas-Grund terug te keren.
De volgende dag besloot ik naar Visp te lopen, waar ik dan de trein naar de luchthaven kon nemen. Siebrig liep het eerste stuk met me mee. Aan de Gsponer Hohenweg keerde zij terug huiswaarts en liep ik alleen verder over de Hohenweg. Daar lag natuurlijk wat sneeuw, maar over het algemeen was die vrij goed te vinden. Op een bepaald moment kom je dan op een vlakker stuk waar het pad niet echt meer te zien was. Het gaat daarna vrij steil omlaag over een steenveld en daar was het mijn geluk dat ik een gps bij had. Anders had ik nooit de goede weg gevonden.
De stukken erna waren terug wat beter beloopbaar wat me deed vermoeden dat het ergste achter de rug was. Compleet verkeerd gedacht natuurlijk. Zeker op de plaatsen die wat in de schaduw van de bergen verborgen zaten lag nog erg veel sneeuw. Ik zakte regelmatig diep weg, zelfs tot borsthoogte. Veel hoger moet de sneeuw echt niet komen. Ook liep het pad hier en daar langs een erg steile helling. Met het probleem dat het pad diep onder de sneeuw verborgen lag en ik dus een sneeuwhelling moest traverseren waar ik me met stijgijzers en ijsbijl toch een stuk zekerder zou gevoeld hebben.
Om het helemaal af te maken moest ik verschillende keren een verdacht vers lawinespoor over. Daar maakte ik natuurlijk altijd goed tempo. Heel stabiel waren die waarschijnlijk niet. Twee ervan waren zelfs zo instabiel dat binnen de twee minuten na mijn passage de hele helling terug begon te schuiven en ik vanop de eerste rij een uitzicht had op een gloednieuwe lawine die het spoor dat ik net gemaakt had wegvaagde. Door mij veroorzaakt ongetwijfeld. Daarmee was rechtsomkeer maken ook geen optie meer.
Eens aan Gspon loop je gelukkig wat lager en kon ik zonder al te veel risico’s de namiddag afwerken. In de namiddag stond ik dan aan het station van Visp. Op voorhand had ik er nog over gedacht om naar een volgend station te lopen, maar de sneeuwpassages waren voldoende slopend geweest om het daarbij te houden.

Posted in Nieuwsbrief | Leave a comment