Wat hier komt

Hier ga ik af en toe eens wat info gooien die ik willekeurig tegen kom en waarvoor ik geen zin heb om ze netjes in mijn site in te passen. Ik verwacht alvast een behoorlijke chaos…

Posted in Algemeen | Comments Off

Nieuwsbrief november 2016

Af en toe trek ik er eens op uit in de richting van een of ander gebied dat ik nog niet ken. Of dat probeer ik toch zo vaak mogelijk te doen. In november had ik nog eens zo een goed idee. Het viel me op dat ik nog nooit in de noordelijke Kaukasus geweest was. Vorig jaar liep ik wel wat rond in Nagorno-Karabakh in de zuidelijke Kaukasus, maar dat ligt er toch nog een eindje van. Ik trok dus even naar Georgië om dat recht te zetten. Als startpunt koos ik voor Stepantsminda (waarnaar iedereen nog met de oude naam Kazbegi verwijst). Dit vooral omwege van de vlotte bereikbaarheid vanuit hoofdstad Tbilisi. Het is het laatste dorpje voor de grens langs de enige gewoon open weg die Georgië met Rusland verbindt. Aan de paar honderd vrachtwagens die langs de kant van de weg staan te wachten om over te mogen te zien komt daar toch een beetje papierwerk bij kijken. De reis erheen in een marshrutka is al een belevenis op zich met een passage over een 2600 meter hoge bergpas. Het prijskaartje voor die rit van bijna drie uur: 10 GEL (ongeveer vier euro).
In Stepantsminda aangekomen, besloot ik eerst een dagje daar te blijven. Het dorpje ligt net naast de Kazbek. Met zijn hoogte van 5033 meter is dat een van het handvol 5000‘ers dat Europa telt. Om die te beklimmen moet je wat gletsjers over en daar was ik niet op voorzien. Maar niets houdt me natuurlijk tegen om eens tot aan de rand van die gletsjers te lopen. Dat is wat ik deed op die dag. Terugkeren deed ik langsheen een vallei wat verder naar het zuiden waarin niet echt een pad loopt. Het leerde me vooral dat de bergen daar behoorlijk toegankelijk zijn met valleien waar je zonder pad ook uitstekend tempo kan maken over het gras.
Na dat dagje gefocust op de Kazbek begon ik wat rond te zwerven naar het oosten. Er zijn een aantal wandelroutes waarmee je grotendeels parallel met de grens kan lopen. Mijn plan was om die te volgen. Dat lukte niet helemaal. Wanneer je de laatste huisjes achter je laat heb je de bergen niet voor jou alleen. Hier en daar heeft het leger een afgelegen controlepost. Daar waren ze niet zo heel blij met mijn plannen. Het argument was dat de passen ontoegankelijk waren door de sneeuw. Ik stelde voor om omhoog te gaan zover het kon en terug te keren als ik merkte dat er te veel sneeuw lag, maar die vlieger ging niet op. Ik moest en zou terugkeren van die mannen.
Aangezien ik daar op een 25 kilometer van Zuid-Ossetië, vijf kilometer van Ingoesjetië en twintig kilometer van Tsjetsjenië zat, had ik het vermoeden dat de grenswachten iets nerveuzer zouden zijn dan bij ons en leek het me verstandig braafjes te doen wat die mannen zegden. Ik vroeg hun ook of ik dan na een beetje terugkeren naar het zuiden kon draaien en daar een col oversteken. Dat leverde me ook een njet op wegens te veel sneeuw. Maar aangezien ik daar verder van de grens was, zou ik daar ook geen grensposten meer tegen komen. Kort samengevat, ze konden op hun buik schrijven dat ik daar weg zou blijven.
Het bleek dat ik gelijk had, want ik kon wel degelijk door. Op meer dan 3000 meter hoogte lag er natuurlijk wel sneeuw, maar zeker niet voldoende om mij tegen te houden. Eens over de col merkte ik wel dat naar het zuiden een pak meer sneeuw lag dan in de valleien waar ik vandaan kwam. Ik moest helemaal dalen tot beneden tweeduizend meter om terug uit de sneeuw te geraken. Daar vond ik gelukkig een mooi plaatsje in een bos voor de tent.
In tegenstelling tot de voorgaande erg zonnige dagen verschenen die avond dreigende donkere wolken aan de hemel. Dat bleek geen goed teken te zijn, want in de loop van de nacht veel daar redelijk wat uit. Tegen de ochtend stond mijn tentje verzonken in een halve meter sneeuw. Daarmee was ik gezien voor de rest van mijn tocht. Om van vallei te wisselen moest ik zeker terug richting drieduizend meter hoogte gaan, wat met al die verse sneeuw geen goed idee leek. Ik besloot te dalen naar de bodem van de vallei en daar op de weg te liften richting Tbilisi. Het zou een goed plan geweest zijn indien toen ik uiteindelijk op de weg stond daar geen twintig centimeter sneeuw zonder enig spoor van passage op zou gelegen hebben. Liften heeft dan waarschijnlijk niet veel zin dus begon ik maar stroomafwaarts te lopen. Vanaf een dorpje wat verder was de weg gelukkig geruimd zodat er toch kans op een beetje verkeer was. De eerste dalende auto was een klein jeepje van de Georgische post dat me direct meenam. Vriendelijk zijn die Georgiërs wel. Het rondzwerven in de bergen zat er daarmee op en ik bleef gewoon een extra dag in Tbilisi.

Een week na mijn terugkomst pikte ik nog een klein wedstrijdje mee. In Couvin werd de Cross de Neptune georganiseerd. Dat is het gebied waar ik zo goed als elk weekend zit indien ik niet ergens in het buitenland ben. Dan kan ik even goed een crossje daar in de buurt meepikken. Ik liep eerst een uur of drie om aan de start te geraken en nam vervolgens de start. Het voordeel voor mij was dat in Wallonië blijkbaar de juniors, seniors en masters samen lopen. Daarmee was het risico veel minder groot dat ik zou veroordeeld worden tot het voeren van achterhoedegevechten. Zoals verwacht was mijn start niet bijster denderend, maar ik zat toch direct op een vrij goede positie. In de eerste ronde slaagde ik erin even van heel dichtbij kennis te maken met de grond wat me een plaatsje kostte. Daarna schoof ik geleidelijk een klein beetje naar voren op. Heel veel winst viel er niet meer te behalen, maar elke ronde won ik een klein beetje terrein op de lopers rond mij. Die rondes waren in elk geval een stuk leuker dan de crossen bij ons. Voor een groot stuk ging het langs voetbalvelden en kleine heuveltjes daarnaast die je bij ons ook wel kan vinden. Maar er zat ook een groot stuk door het bos in met ferm wat hoogteverschil.
In de laatste ronde was er eentje die ik er niet meer af kreeg en in de eindsprint lag ik er natuurlijk op. Daarmee was eindigde ik als 26ste op vijftig man. Mijn snelheid is duidelijk nog niet denderend, maar daar ben ik hard aan het werken. Dat komt wel in orde tegen dat het nodig is.

Posted in Nieuwsbrief | 1 Comment

Nieuwsbrief oktober 2016

Begin oktober had ik gepland om nog eens Els 2900 te lopen. Voor mij is dat een van de leukste wedstrijden die er zijn. Vorig jaar liep ik daar ook al mee en het plan was om dit jaar beter te doen. Na afloop van Glen Coe besliste ik echter dat ik gewoon niet goed genoeg zat. Om de aankomst te halen moet je behoorlijk doorlopen en daartoe schoot ik conditioneel nog zwaar tekort. Ik liet mijn plaats schieten in de hoop dat iemand van de wachtlijst die wel in vorm zat er tevreden mee zou zijn.
Mijn verplaatsing was natuurlijk al lang geregeld, dus profiteerde ik er toch van om een paar dagen naar Andorra te gaan. Ik eerste instantie wilde ik ergens op het parcours gaan staan om de lopers aan te moedigen. Dat deed ik dan liefst op een stuk waar alle lopers overdag passeren. Daarmee zijn de mogelijkheiden serieus beperkt en ik koos voor de de Estany Forcat net voor de lopers Medacorba en Roca Entravesada beklimmen. Ik had er een aangename dag met de gelegenheid om verschillende mensen die ik sinds de vorige Els 2900 niet meer gezien had nog eens te ontmoeten.
Na de passage van de laatste loper daalde ik terug naar de meertjes. Tussen beide meren ligt een klein stukje vlak gras dat me ideaal leek om op te slapen. Om daar te geraken moet je een steenveld over waar grote rotsblokken wat chaotisch gestapeld liggen. In het halfduister slaagde ik er in te struikelen en kwam vol op mijn knie terecht. Wat hoegenaamd geen deugd deed.
De volgende ochtend was die knie behoorlijk pijnlijk. Ik trok me er niet veel van aan. Ik was in Andorra, in de bergen en stralend weer. Daar moet je van profiteren. Over de col ging ik Spanje binnen, pikte daar de GR op en keerde terug naar Andorra waar ik de Comapedrosa beklom. Die is met zijn 2944 meter nog altijd de hoogste top van Andorra. Het was de derde keer dat ik op de top stond, maar nog maar de eeste keer dat dit overdag was. Daarmee heb ik toch een idee van het uitzicht dat je van daarboven hebt.
Van de Comapedrosa stak ik door naar de Baiau en vervolgens via de Cresta del Malhiverns terug naar Roca Entravesada. Die Cresta is de crux van Els 2900 en erg de moeite. Het is een fantastische messcherpe graat met vele klauterstukken boven een afgrond. Gelukkig zijn er bijna overal goed grepen. Die laat je beter niet los. De graat doen met een knie die ik amper kon plooien maakte het alleen maar uitdagender. Van Entravesada daalde ik dan af via de oostgraat waar ook nog een paar leuke klauterstukken in zitten.
‘s Avonds koos ik als slaapplaats een kleine onbemande hut. De volgende ochtend was mijn knie dubbel zo dik als gewoonlijjk en kon ik hem totaal niet plooien. Dat klauteren van de dag tevoren was misschien toch niet zo’n super idee. Veel meer dan naar de bushalte in de vallei sukkelen heb ik daarna niet meer gedaan. Het zou een maand duren voordat ik mijn knie terug volledig kon plooien.

De week na Andorra deden we met het werk mee aan de Ekiden in Brussel. Door wat afzeggingen op het laatste moment kwam ik toch terug in de ploegen terecht om tien kilometer te lopen. Het was de tweede dag dat ik zonder pijn kon stappen, dus dan moet tien kilometer lopen ook wel lukken. Het lukte inderdaad met behoorlijk wat manken en ik slaagde erin de tijd tot een beetje boven de veertig minuten beperkt te houden.

Daarna ging ik nog eens op stap naar het verre zuiden. Ik trok naar Ile de la Reunion om er de Diagonale des Fous te lopen. Dat is een dikke honderd mijl die dwars over het eiland loopt. Je start aan de zuidkant in Saint Pierre op zeeniveau. Na een paar kilometer door het stadje volgt een lange klim door rietplantages. Met een paar duizend man aan de start krijg je dikwijls files van zodra je op een iets smaller pad komt. Daarom had ik me niet al te ver gesteld achteraan gesteld en draaide redelijk vlot mee in de eerste paar honderd lopers. De eerste veertig kilometer zijn hoofdzakelijk klimmend tot de Piton Textor die met zijn 2224 meter hoogte het dak van de wedstrijd is. Op zich is dat stuk niet zo heel interessant. Niet erg want je loopt hier toch de hele tijd in het donker.
Na de Piton Textor volgde een eerste dalend stuk. Daar bleek mijn knie niet echt mee akkoord te zijn. Als je tijdens een wedstrijd meer dan 9000 meter moet klimmen en dus ook dalen is dat niet bijster hoopgevend. Ik sukkelde op het gemak verder. Daarna doorkruis je de Mare a Boue die zich haar naam niet waard toonde en klimt naar Coteau de Kerguelen alvorens steil naar Cilaos te dalen. Die afdaling deed opnieuw geen deugd en de zon die ondertussen verschroeiend uit de hoek kwam hielp ook al niet. Een warmteloper zal ik waarschijnlijk nooit worden.
Na Cilaos krijg je dan de beklimming naar de Taibit te verwerken waar ik door de hitte helemaal mijn kookpunt bereikte. Eens je die over bent zit je in Mafate. Tegen dat ik daar was begon gelukkig de avond te vallen waardoor de temperaturen terug draaglijk werden. In de loop van de nacht maak je dan nog een lusje naar Cirque de Salazie waar je niet bijster veel ziet. Die nacht kwam er vreemd genoeg beterschap in mijn knie. De technische afdalingen waar je wat over stenen moet huppelen begonnen goed te gaan. De goed beloopbare afdalingen anderzijds bleven een pijnlijke zaak. Van Salazie keer je terug naar Mafate waar je een paar belachelijk steile hellingen op en af mag.
Salazie uitlopen gebeurt via de lange Col de Maido. Ik hoopte om twee nachten op rij door te lopen, maar in de beklimming sloeg de vermoeidheid hard toe. Ik sliep er dan maar een paar uurtjes langs de rand van het pad. Bij het eerste licht hervatte ik mijn weg zodat ik in de ochtend op de Maido stond. Op zich was dat een goed idee anders had ik tijdens de wedstrijd bijna niets van Mafate gezien. Nu had ik daar tenminste een paar mooie uitzichten.
Eens je de Maido voorbij bent zit het interessantste stuk van de wedstrijd er op. Je hebt een lange afdaling tot min of meer zeeniveau waarna je nog een paar keer omhoog en terug naar zeeniveau gestuurd wordt over niet bijster boeiende paden. In tegendeel zo laag en in volle zon was de hitte voor mij echt ondraaglijk. Bij elke bevoorrading nam ik uitgebreid mijn tijd. In het donker kwam ik toe in La Grande Chaloupe waar de laatste klim en afdaling begint. Ik was dus op weg naar een aankomst midden in de nacht. Daar had ik niet bijster veel zin in dus ik besloot een paar uur in La Grande Chaloupe te slapen. Erg vroeg ging ik terug op pad zodat ik bij het eerste daglicht in Colorado stond om de laatste afdaling aan te vatten. Goed uitgeslapen als ik was ging die nog behoorlijk vlot zodat ik in de ochtend over de aankomst in Saint Denis liep. Ik kwam toe als 1299ste in een tijd van 56:56:55. Acheraf bekeken heb ik er natuurlijk gigantisch spijt van dat ik niet een seconde later ben toe
gekomen. Als prestatie is het een compleet waardeloos resultaat, net zoals de rest van mijn seizoen. Ik ben vooral blij dat ik nog eens een dergelijke lange wedstrijd heb uitgelopen. Dat was ondertussen al meer dan twee jaar geleden.

Na de wedstrijd bleef ik nog een weekje op het eiland.Als je dan toch zo ver reist kan je even goed nog wat langer ter plaatse blijven. Die week gebruikte ik om de plaatsen waar we ‘s nachts passeerden of zelfs helemaal niet passeerden eens te bekijken. Na wat wikken en wegen werd het plan om het eiland nog eens door te steken.
Ik startte aan de kant van de vulkaan. Erg mooi en spectaculair, maar veel te druk naar mijn goesting. Een weg die tot vlak aan de krater loopt maakt hem toegankelijker dan leuk is. Van daaruit trok ik dan terug noordwaarts waarbij ik zoveel mogelijk paden parallel aan het wedstrijdparcours volgde. Alles om toch maar wat te varieren.
De klim naar Kerguelen was een stuk waar ik niet echt keuze had en waar ik het wedstrijdparcours moest herhalen. In plaats van te dalen naar Cilaos klom ik deze keer verder naar te top van de Piton des Neiges. Met een hoogte van 3070 meter is dat het hoogste punt van het eiland. In tegenstelling tot wat de naam laat vermoeden was er absoluut geen sneeuw te bekennen. Van de top volgde een steile afdaling naar de bodem van Cirque de Cilaos om de volgende ochtend voor mijn tweede keer de Taibit te beklimmen. Veel andere keuzes zijn er niet om in Mafate te geraken.
Mafate is een erg leuk gebied. De paden slingeren zich langsheen allerlei kliffen en wanden. Er is in het hele cirque geen enkele bereidbare weg. De enige manier om er te geraken is te voet. Het is dan ook verrassend hoeveel mensen er wonen. Gekoppeld aan een overvloed aan paden die wat in alle richtingen doorkruisen is het erg geschikt om in rond te trekken. Naar mijn zin is het zelfs wat te populair. Om het even waar je gaat, overal kom je wel wandelaars tegen en in elk dorpje is accomodatie voor de trekkers beschikbaar. Van Mafate daalde ik terug naar de kust waarmee mijn tocht er op zat.

Posted in Nieuwsbrief | Leave a comment

Nieuwsbrief september 2016

Het eerste waar ik deze maand wat over kan vertellen is de Glen Coe Skyrace. Dit is een westrijd van ongeveer 55 kilometer in Schotse Highlands. De afstand is niet zo heel indrukwekkend, maar de 4500 hoogtemeters veranderen de zaak enigszins. Daar komt nog eens bij dat er een paar indrukwekkende stukken scrambling in het parcours zitten. Vorig jaar liep ik de wedstrijd al eens. Het feit dat ik terugkeer betekent dat het parcours echt de moeite is.
In vergelijking met vorig jaar was de start een heel stuk opgeschoven. We vertrokken nu uit Konlochleven in plaats van Glencoe Mountain. Dit zorgde voor een langere aanloop over de West Highland Way naar de voet van Curved Ridge. Dat stuk West Highland Way is veruit het minst interessante parcours van de wedstrijd. Ik nam een erg rustige start en schoof hier rustig naar voren op. Curved Ridge is een erg leuk stukje. Het is naar Britse normen een erg lange klim over zeer goede rotsen. Het is een stuk waar ik me uitstekend op geamuseerd heb. Via Curved Ridge kom je op de top van Stob Dearg, volgt even de graat en dan gaat het terug omlaag. Veel rust krijg je daar beneden niet want je wordt direct aan de andere kant van de vallei terug omhoog gestuurd. Nog eens een vallei omlaag en aan de overkant terug omhoog later mag je een tijd boven op de bergen blijven. Zeker in de beklimmingen had ik niet echt mijn dag. Ik voelde daar zeer goed dat ik de laatste maanden veel te weinig heb kunnen
trainen.
Daarna blijf je een hele tijd hoog en passeert verschillende toppen. Ik voelde me op dit stuk beter en begon terug wat volk in te halen. Na Stob Coire nam Beith komt een lange afdaling tot in de vallei. Daar bleef ik goed dalen, zelfs op het stuk waar de stenen spiegelglad zijn. Daar is het altijd wat beangstigend balanceren.
Na een lange afdaling volgt zoals dikwijls een lange klim en die ging bij mij van geen kanten. Ik geraakte amper vooruit en verloor een pak terrein. Eens je boven bent moet je dan de volledige graat van Aoneach Eagach afwerken. Dat is nog altijd een van de leukste stukjes die ik in het parcours van een wedstrijd ken. De graat is erg scherp met aan weerszijden een diepe afgrond. Daarop mag je dan wat over rotsen gaan rondhuppelen. Na de graat is het dan nog gewoon dalen tot je terug op de West Highland Way komt die je terug naar Kinlochleven volgt. Ik kwam daar toe als 116e na 11u41. In vergelijking met vorig jaar was ik twee en een half uur trager, wat goed aangeeft hoe erg het met mijn conditie gesteld is.

Vorig weekend ging ik dan nog een weekend in Zwitserland gaan trainen. Ik vertrok uit Interlaken met de bedoeling daar de Hardergrat af te lopen. Dat betekent vanuit het dorp recht omhoog de Harderkulm op en dan de graat volgen. Die Harderkulm liep ik natuurlijk op. Je hebt ook een treintje dat omhoog gaat, maar dat was natuurlijk diep beneden mijn stand. Het enige vervelende was dat ik al snel in de wolken terecht kwam en daar niet meer uit geraakte. Bij goed weer heb je daar naar het schijnt een fenomenaal uitzicht over het meer. In die dichte mist kon ik een tiental meter ver kijken en dat was het. Met af en toe nog wat regen erbij was het al helemaal niet motiverend. Erg veel heb ik dus niet gedaan.
Ik vrees dat ik daar nog eens ga moeten terugkeren om te bevestigen dat de graat echt zo mooi is als beweerd wordt.

Posted in Nieuwsbrief | Leave a comment

Nieuwsbrief augustus 2016

In augustus kon je me een beetje in alle mogelijke richtingen tegen komen. Helemaal aan het begin van de maand was dat het hoge noorden, waar ik de Tromsø Skyrace ging lopen. Dat is een wedstrijd waarbij je start in Tromsø, vervolgens de bekende brug over de fjord over loopt en dan een hele lus in de bergen gaat maken. De afstand van een dikke vijftig kilometer valt goed mee, maar gecombineerd met meer dan vierduizend positieve hoogtemeters is dat toch erg de moeite.
Ik was nog altijd behoorlijk aan het sukkelen. Vooral tijdens beklimmingen deed mijn achillespees nog erg lastig. Met gewoon de wedstrijd uitlopen zou ik al meer dan tevreden zijn. Ik startte ergens helemaal achteraan en schoof tijdens de eerste min of meer vlakke kilometers rustig wat naar voren op. Eens je de brug over bent begint dan een steile klim om het plateau op te geraken. Dat ging al een beetje lastiger. Eens we een paar honderd meter boven zeeniveau uitstegen kwamen we in de mist terecht. Dat zou het uitzicht blijven voor het grootste deel van de dag. Op het plateau volgende we gewoon wat paden en wat sporen die voor paden moeten doorgaan naar de top van Tromsdalstind. Enkel tijdens het laatste stukje naar de top kom je daarin wat rotsen terecht. Voor de rest allemaal heel eenvoudig te doen.
De afdaling van Tromsdalstind is een heel ander paar mouwen. Zeker het begin is erg steil en dwars door een instabiel stenenveld. Die stenen hebben natuurlijk de neiging om naar beneden te rollen wat af en toe voor wat gevaarlijke situaties zorgt. Na een paar honderd meter dalen kom je gelukkig op gras terecht. Het blijft daar even steil en je glijdt regelmatig eens uit, maar je hebt er toch geen stenen meer die je een kopje kleiner proberen te maken. Af en toe mag je zelfs een sneeuwplek afglijden, wat veel helpt om het tempo er wat in te houden. Na zelfs een min of meer vlak stuk doorheen een vallei volgt nog een erg steile afdaling door het bos. Het is half glijden over een erg glibberige ondergrond en half in de bomen hangen om te zorgen dat je de snelheid toch een beetje onder controle houdt. Eigenlijk wel leuk.
Na een doorsteek van een brede vallei volgt dan de klim naar de tweede top van de dag: Hamperokken. Deze heeft een mooie technische graat. Je zit er veel meer op de rotsen te klauteren dan bij de passage over Tromsdalstind. Het grootste deel van de tijd valt het klauterwerk goed mee. Soms moet je gewoon een beetje kijken langs welke kant je een rotspunt moet passeren. Alleen de top van Hamperokken zelf is een stuk waar je echt op handen en voeten omhoog klautert. Er is een touw voorzien, wat vooral in de afdaling wel handig is.
Na de top daal je over een gigantisch steenveld naar een meertje. Zeker bovenaan zijn het terug van de stenen die niet veel zin hebben om te blijven liggen. Aan het meertje ben je er nog niet vanaf. Je moet het hele meertje volgen huppelend van steen naar steen. Gelukkig is er hier en daar nog een sneeuwplek. Daarop geraak je toch een stuk sneller vooruit.
Beneden in de vallei mag je dezelfde doorsteek maken als eerder op de dag, maar dan in de tegengestelde richting. Wat eerder vlot omlaag glijden was, is nu een poging om een modderige muur op te kruipen. Het lukte, maar kostte me erg veel moeite. Na een vlakker stuk moet je dan helemaal naar de top van Tromsdalstind. Hier ging ik helemaal kapot. Die helling is gewoon zo belachelijk steil dat ik amper nog vooruit geraakte. Traag gaat natuurlijk ook en uiteindelijk sukkelde ik toch de top van de berg op.
Daarna is het nog een lang hoofdzakelijk dalend pad naar Tromsø en de aankomst. Daar kwam ik toe na 12u52 wedstrijd. Met een tijdslimiet van 13 uren voor de wedstrijd was dat toch wat nipter dan ik graag heb. Maar in de toestand waarin ik aan de start stond was gewoon finishen echt wel het hoogst haalbare. En dat heb ik toch maar gehaald.

Een week later vloog ik dan zuidwaarts naar Slovenië. Hoewel ik dat een prachtig land vind, was het toch lang geleden dat ik daar nog eens was. Hoog tijd om dat goed te maken. Mijn doel was om een beetje in de Triglav rond te lopen.
Als startpunt koos ik Jesenice, helemaal in het noorden. Daar in het noordelijke deel van het gebied zijn de bergen niet zo hoog en nog volledig met bossen bedekt. In eerste instantie ging het de hele tijd op en neer door die bossen. Pas toen ik richting tweeduizend meter hoogte ging, kwam ik boven de boomgrens en kreeg ik wat mooie uitzichten. Dat gebeurde de eerste keer toen uk de top van de Debela Peč bereikte. Daar heb je een mooi uitzicht op de vallei van Krma met de imposante rotswanden die hoog oprijzen. Je krijgt er de mooie mix van Alpen, Dolomieten en Balkan die Slovenië zo uniek maakt.
De Debela Peč was behoorlijk druk, dus ben ik er niet lang gebleven. Ik trok verder richting top van de Triglav die met zijn 2864 meter hoogte het hoogste punt van Slovenië is. Die beklom ik vanaf Triglavski dom na Kredanci zodat ik de volledige topgraat kon volgen. Die topgraat is erg leuk. Sommige stukken zijn een flinke scramble. Het jammere is dat ze overdreven vol ijzer zit, waar vele wandelaars zich krampachtig aan vastklampen. De meeste zekeren zich zelfs met de talrijke kabels wat al helemaal overdreven is. Dat zorgt voor de nodige files die je gelukkig dikwijls kan vermijden door een beetje naast het officiële pad te klauteren. Op de top stond ik helemaal alleen. Waarschijnlijk was ik de laatste van de dag die omhoog gegaan is. Erg lang ben ik er niet gebleven want in Oostenrijk zag ik ferme onweerswolken ronddrijven. Ik zit liever toch een beetje lager wanneer ik die op mijn nek krijg.
Van de Triglav daalde ik wat zuidwaarts richting Koča na Doliču en dan verder naar Prehodavci. Vooral dat laatste stuk ik een ongelooflijk spectaclair pad. Met je linkerschouder plak je tegen een rotswand. Je rechtervoet staat dan weer op het randje van een afgrond. Een smal richeltje is alles wat je hebt om vooruit te geraken. Het pad is zeker en vast een van de meest spectaculaire paden waar ik reeds over liep. Om het helemaal spannend te maken was de nacht aan het vallen, wilde ik liever niet op die richel overnachten en had ik geen flauw idee hoe lang het zou duren voordat ik uit die wand was. Uiteindelijk deed ik het laatste stukje in volslagen duisternis.
De volgende ochtend ging ik nog wat verder naar de zeven meren. Die zijn erg mooi, maar ook erg populair. Geleidelijk aan kwam ik in lager terrein terecht. Dat betekent dat ik terug meer in de bossen aan het rondzwerven was. Doorheen die bossen bereikte ik Stara Fužina waar ik een punt achter de Sloveense tocht zette.

Twee weken later ging ik ruwweg dezelfde richting uit. Noord-Italië was de bestemming van dienst waar ik de Trofeo KIMA wilde lopen. We spreken terug over een wedstrijd van dik vijftig kilometer met 4400 positieve hoogtemeters. Het terrein is ook erg technisch met veel bengelen aan kettingen en rondhuppelen over rotsblokken. Het is een wedstrijd die ik al erg lang eens wilde lopen.
De eerste tien kilometer zijn hoegenaamd niet interessant. Je loopt de hele tijd omhoog over een asfaltweg om aan het einde van de vallei te komen. Gelukkig worden de haarspeldbochten zoveel mogelijk afgesneden via bospaden. Eens je hoog genoeg bent houdt een asfaltweg er altijd wel mee op en komen de leuke paden. In dit geval voerde dat leuke pad naar een col die gevolgd werd door een technisch stuk waar de kettingen die er hingen toch wel van pas kwamen.
Daarna blijft het de hele tijd behoorlijk technisch. De hele tijd spring je van rotsblok naar rotsblok en klauter je op en neer. De stukken met een normaal pad zijn erg zeldzaam. Ik kwam er achter dat ik de voorbije maanden hopeloos veel conditie heb verloren door maar erg beperkt te kunnen trainen met mijn achillespeesproblemen. Erg snel ging ik dus niet vooruit. Halverwege de wedstrijd zorgde dat ervoor dat ik de tijdslimiet niet haalde en uit de wedstrijd gehaald werd. Volgens mij is het de eerste keer dat dit mij overkomt. Erg jammer, maar gezien de erg strakke limiet en mijn rampzalige conditie op dit moment viel het eigenlijk wel te verwachten.
Het positieve is dat ik tijdens de wedstrijd totaal geen last heb gehad. Ook tijdens de trainingen kan ik terug pijnvrij lopen. Het zal wel nog een tijdje duren tegen dat ik terug in topvorm ben, maar ik kan in elk geval terug opbouwen. Dat is misschien nog wel het beste van heel de nieuwsbrief.

Posted in Nieuwsbrief | Leave a comment

Nieuwsbrief juli 2016

Het wedstrijdseizoen is voor mij op gang aan het komen. Zo kon je me afgelopen maand vinden aan de start van de Transpyrenea. Dat is een nieuwe wedstrijd die nog maar eens beloofde grenzen te verleggen. Het gaat om een non-stop doorsteek van de Pyreneeën, van Le Perthus in het oosten helemaal tot Banyul aan de westkust. Er zijn een aantal min of meer parallelle wandelroutes die de lengte van de Pyreneeën volgen. De GR10 is er eentje van en dat dan ook direct het parcours. Dat is goed voor een afstand van ongeveer 850 kilometer en heel veel bergop en bergaf.
Voor mij was het op voorhand vooral de vraag hoe de achillespees zich zou houden. In de aanloop naar de wedstrijd was ze in elk geval behoorlijk slecht, maar meestal betert dat wel eens ze wat opgewarmd geraakt. Om op te warmen zou er in elk geval genoeg tijd zijn.
De wedstrijd startte in het Fort van Bellegarde in Le Perthus in een zinderende hitte. Je zit daar nog erg laag en zo zuidelijk kan de temperatuur natuurlijk erg hoog oplopen. Niet echt wat ik zelf zou gekozen hebben, maar goed, daar kan ik niets aan veranderen. Ik zocht een comfortabel ritme waarvan ik het gevoel had dat ik wel een paar honderd kilometer zou kunnen doorgaan. Zelfs volledig ondertraind liep ik daarmee nog behoorlijk vooraan. Meestal draaide ik ergens rond de vijfde plaats. Niet dat het op dat punt ook maar iets uitmaakt.
Na een uur of drie begonnen de zaken al fout te lopen. Met dank aan de hitte kotste ik alles wat ik al van eten of drinken binnen had gekregen terug uit. Niet goed. Ik vertraagde wat en nam wat rustpauzes in de hoop dat het daarmee zou beteren. IJdele hoop. Integendeel, door de rustpauzes koelde de achillespees terug af zodat zijwaarts omhoog gaan de enige manier was om omhoog te geraken.
Na een hele dag zo verder te sukkelen stond ik ‘s avonds in het tweede checkpoint. Zonder energie want de hele dag niet anders gedaan dan kotsen en met een linkerbeen waarop ik geen kracht kon zetten moest ik een lange beklimming aanvatten. Daar was ik op dat moment simpelweg niet toe in staat.

Daarmee kwam mijn wedstrijd een pak vroeger dan gehoopt tot zijn eind. Het geeft me wat extra tijd om alles te laten herstellen. En er is een week verlof die ik voor de wedstrijd voorzien had die ik nu kan doorschuiven naar een project later op het jaar als mijn achillespees hopelijk terug in orde zal zijn.

Posted in Algemeen | Leave a comment

Nieuwsbrief juni 2016

Aan het begin van juni trok ik eerst even naar Zwitserland. Zolang er nog nachttreinen zijn moet ik die toch gebruiken. Aan het einde van het jaar gaat de DB jammer genoeg al zijn nachttreinen afschaffen. Met een van die nachttreinen geraak je helemaal tot in Zürich. Van daar ging het nog verder richting Sankt Gallen waar ik met Siebrig eens de Toggenburger Höhenweg zou gaan lopen. Die doorkruist een ferm stuk van het kanton van Wil naar Wildhaus. Wij kozen voor een lage start in Wil. In eerste instantie loop je daar hoofdzakelijk over brede bospaden. Het hoogtepunt van dat eerste stuk is zonder enige twijfel een mooie hoge waterval waar je helemaal achter door kan.
In de namiddag kwamen we dan hoger en hoger en werden de uitzichten talrijker en spectaculairder. De hele dag lang hingen wolken dreigend aan de hemel. Tegen de avond was ons geluk dan toch op en kregen we een ferme regenbui over ons heen. Gelukkig zaten we toen in het bos zodat we ze niet al te hard gevoeld hebben. Het resultaat was wel dat de paden interessant glibberig waren. Bij het laatste daglicht gingen we op zoek naar een plaatsje voor de tent en vonden dat aan de rand van een bos. We stonden er droog, wat verborgen van het pad en hadden een prachtig uitzicht. Meer hebben we echt niet nodig.
De volgende ochtend vatten we dan het hoge stuk van de Toggeburger Höhenweg aan. We kwamen er achter dat zelfs op lage hoogte nog behoorlijk wat sneeuw lag. Vanaf 1600 meter hoogte waren er nog talrijke sneeuwplekken. Verschillende waren ook behoorlijk groot en regelmatig moesten we een volledig besneeuwde kom door. Het grootste deel van de tijd was dat geen enkel probleem maar er zat toch een spannend stukje in. Het sneeuwveld was er erg stijl, nog erg hard en een val zou ongetwijfeld fataal geweest zijn. We zijn zo verstandig geweest om daar niet te vallen of uit te glijden.
Na al de hoge stukken was het dan gewoon dalen naar de vallei om terug te keren. Met een hele reeks bussen en treinen met nipte aansluitingen die alleen in Zwitserland als realistische optie beschouwd worden geraakten we in Baar. Daar was Erika zo lief om ons wat te voederen. Daarmee zat het weekend erop en was het voor mij tijd om de nachttrein terug naar huis te nemen.

Twee weken later ging ik wat verder naar het zuiden en vloog voor de derde keer dit jaar naar Italië. Deze keer was Bologna de bestemming. Met de trein sta je van daar erg vlot in de Apennijnen, waar ik redelijk op goed geluk wat begon rond te lopen. Uiteindelijk werd het met wat omwegen een route van San Benedetto naar Porretta Terme.
De Apennijnen zijn daar niet erg hoog zodat de bergen bijna volledige bebost zijn. Daarmee heb je natuurlijk iets minder uitzichten, maar anderzijds zorgt dat er ook voor dat je in de schaduw loopt. Daarmee blijven de temperaturen ook wat draaglijk. Ik had er op voorhand niet echt bij stil gestaan dat zo ver zuidelijk het kwik midden juni al behoorlijk kan oplopen.
Direct bij aankomst was duidelijk dat ik in warmere gebieden terecht was gekomen. De eerste nacht sliep ik omringd door vuurvliegjes. Rond mij lichtten de struiken voortdurend op. Een heel verschil met de paar verspreide lichtjes die je ziet als er bij ons ergens vuurvliegjes zitten.
De kwaliteit van de paden is in dit gebied dan weer Italiaans. Meestal zijn ze erg mooi, maar de markeringen zijn niet altijd evident. Je moet er een beetje geluk mee hebben. Op de stukken waar redelijk wat volk komt is er geen enkel probleem. De stukken die minder begaan zijn kunnen dan weer behoorlijk overwoekerd geraken. Het is niet altijd simpel om er een weg doorheen te banen en dan nog eens op het pad te blijven. Ik ben in elk geval een paar keer behoorlijk het noorden kwijt geraakt.

Helemaal aan het einde van de maand trok ik dan nog eens naar Frankrijk voor een wedstrijd. Samen met Renaud ging ik in de Beaufortain de Pierra Menta lopen. Dat is een wedstrijd in drie etappes waarbij je in ploegen van twee loopt. Die twee moeten de hele tijd samen lopen. In totaal is de afstand ongeveer zeventig kilometer, wat zeker en vast haalbaar is. Op die afstand moeten in totaal 7000 positieve hoogtemeters (en evenveel negatieve) overwonnen worden. Dat is toch een respectabel aantal.
De eerste etappe startten we behoorlijk voortvarend. Met mijn achillespeesproblemen van de laatste tijd bleek dat toch wat optimistisch. Ik ben gewoon totaal ondertraind en in de eerste beklimming blies ik de motor helemaal op. In combinatie met een warme dag zou ik er de hele etappe niet meer van herstellen. Het wedstrijdverloop voor ons was dus dat ik steeds meer terrein verloor en Renaud aan elke checkpoint op mij stond te wachten over verder te kunnen gaan.
Het parcours van die etappe was zeker wel de moeite. In essentie ga je twee keer recht omhoog en daarna terug recht omlaag.
De start van de tweede etappe was nog veel dramatischer. Na de eerste etappe liet mijn achillespees het volledig afweten en had ik moeite om te stappen. Bij de start van de tweede etappe was dat nog altijd zo. Lopen zat er al helemaal niet in. Met de moed der wanhoop begonnen we te stappen en al snel liep iedereen van ons weg. Naast ons wandelden twee mannen mee die de markeringen opruimden. Dan weet je dat je een probleem hebt.
Op een licht dalend stuk lukte het toch om wat te lopen waarna mijn pees genoeg opgewarmd was om zonder manken te kunnen stappen. Dat deden we dan ook in de volgende beklimming en haalden zelfs een paar ploegjes in. Groot nadeel van helemaal achteraan zitten is dat daar de files zitten. Bij een klein rotsje op het pad waar je even je handen moest gebruiken stonden we direct twintig minuten stil. De etappe bracht ons naar de top van de Grand Mont. Bijster origineel zijn de namen van de bergen daar niet. Om op die Grand Mont te geraken passeerden we over een aantal graten waar we met een via ferrata kit moesten gezekerd lopen. Naar mijn mening was dat behoorlijk overdreven. Ik heb al wedstrijden gelopen waar je dergelijke passages gewoon over loopt zonder dat er veel spel van gemaakt wordt. Het grote nadeel daarvan was vooral dat aan het eerste gezekerde stuk terug een gigantische file stond. We stonden er een half uur stil alvorens verder te kunnen. Als je een beetje wil doorlopen zor
g je duidelijk best dat je vooraan zit. Achteraan is al het wachten echt niet leuk.
Na de Grande Motte volgde een afdaling over een paar leuke sneeuwvelden. We konden er een paar keer schitterend over omlaag glijden. Beneden was het dan zaak om zo snel mogelijk terug recht te staan en verder te lopen. Anders riskeerde je dat de volgende loper tegen je aan gleed. Op een bepaald moment zaten we zo met vijf lopers op elkaar geknald. De rest van de afdaling was behoorlijk glibberig door een onweer de vorige nacht wat me verrassend goed afging. We vlogen een heel pak ploegen voorbij.
De daarop volgende beklimming was dan weer een heel pak minder. Daar probeerde ik gewoon onze positie te handhaven. De afdaling erna was terug erg leuk. Het was een lange zigzag over een bijzonder steile helling. Enige nadeel was terug dat je af en toe achter wat trager verkeer bleef vastzitten. Aan de aankomst bleek dat we onverhoopt toch nog een derde van alle deelnemers hadden voorbij gelopen.
De laatste etappe was mijn achillespees dan weer behoorlijk goed. Van bij de start kon ik behoorlijk mee. Renaud besloot zich eens helemaal uit te leven en vertrok bij de eersten. Aan het eerste checkpoint stond hij dan braafjes op mij te wachten. Die laatste etappe was in essentie eens de Roche Parstire op en af lopen. Het laatste stuk van de klim was nog een leuk stukje: erg stijl en regelmatig wat klauterwerk. In de afdaling liet mijn conditiegebrek zich toch wat voelen. Het was behoorlijk afzien voor mij, maar de laatste etappe bleef veruit onze beste.
Ik houd in elk geval een schitterende herinnering over aan de Pierra Menta. Het parcours heeft een paar schitterende technische passages en de sfeer is er helemaal fantastisch. Ik kan het zeker en vast aanraden.

Van de Pierra Menta reisde ik direct door naar la Chapelle d’Abondance, wat een beetje verder naar het noorden in de Franse Alpen ligt. Alke had daar een hele hoop Nederlandse en Vlaamse traillopers uitgenodigd voor een week in zijn hotel (Hotel Esprit Montagne, echte aanrader om hem een beetje reclame te geven). In de loop van die week organiseerde hij ook een paar onderlinge wedstrijdjes. Het eerste was een verticale kilometer op maandag. Voor mij was dat dus de dag na de Pierra Menta. Daarbij gingen we naar de top van de 2432 meter hoge Cornettes de Bise. Ik was natuurlijk niet erg snel en duwde ook niet echt door.
Op donderdag voorzag hij dan de hoofdmoot met een toer van ongeveer 85 kilometer met 9000 hoogtemeters. Voor mijn pees was dat veel te steil. De afdalingen en klauterstukken ging nog, maar eens de hellingsgraad van de beklimmingen wat toenam geraakte ik alleen zijwaarts omhoog. Dat kan je wel eventjes doen, maar over zo een lange toer gaat de lol er toch snel af. Na een paar uurtjes ben ik dan ook teruggekeerd naar het hotel en heb in de loop van de dag nog wat meegeholpen bij de verzorgingsposten. Het was een erg aangename week waar ik door mijn fysieke toestand jammer genoeg iets minder heb kunnen profiteren dan ik zou willen.

Posted in Algemeen | Leave a comment

How to kill a dragon?


During the Dragon’s Back Race runners cross Wales over a five stage race. Every day a certain number of checkpoints needs to be visited, but between those checkpoints the route is free. Most of the time, the best route is rather obvious, but on occasions multiple options are possible. A big point of talk are the different options taken. Which one is the best? Which one is the fastest? Which one makes sure you don’t get lost?

In 2015, following the race became easier for armchair fans: every runner carried a GPS tracker. So you could see where they were during the day. And now we can know where everyone went during the race. Can we draw any conclusions from those data about route choices?

Day by Day

This is the kind of question that I try to answer here.
If you are just curious, you can just move on to the overview for every day.
Day 1
Day 2
Day 3
Day 4
Day 5

How and such

For those interested, I give a short methodological overview. First of all, the input data. Simple. There are two kinds of data used in the analysis.
One is the tracks as they were available via the live tracking on the website. Theoretically there is one point every 1.5 minutes, which theoretically should be correct within a few meters. Reality is always a bit more involved, but in general the tracks show rather clearly where the runners went. Some tracks are missing or partly missing. I assume this is due to a malfunctioning of some kind. There are also some spurious points, strange artefacts etcetera, but nothing you wouldn’t expect from GPS tracks. The 1.5 minute time interval reduces of course the precision of the data. Generally, runners can travel about 100 meters in that time. Its main implication is that close parallel options are near impossible to distinguish.
The second part of data are the intermediate times, as they are given by the race results. Those come from SI-dibbers, which is in general flawless. There are a few exceptions with missing data points and spurious values, but in general those times are very reliable.

My main objective was to find out differences in time between different route choices. And also to see what are the different choices made by the runners. Maybe I overlooked an interesting option during my race, that was spotted by others. The first question to answer is how you define a fast option. If you merely look at the times run, the fastest option will be the option chosen by the fastest runners. Which is not necessary interesting.

OK. First I’ll give some definitions. For me the race is divided in five stages. So, a stage is a day of running from camp to camp. Times for a stage vary from 7 to 16+ hours. Each stage is divided into multiple legs. For me, a leg is between two checkpoints. So, each of the five stages is divided into 9 to 23 legs (equalling the number of intermediate checkpoints of the day plus one). Times for each leg can vary between a few minutes to many hours. Just keep this in mind. It is the terminology that I will use everywhere.

My take on the problem was to convert all the leg times to a percentage of the stage time. The assumption is of course that this percentage is stable among all the runners. This assumption turned out to be rather correct. If you plot the percentages for each leg, you find a very nice flat line (with some exceptions, but I’ll mention that when we get there). This gave me a good way to work with the intermediate times.

Obviously, there is a very high correlation among those percentages: the sum of all percentages of one runner must be 100%. In normal language, if you make a stupid mistake at some point you will have a high percentage for the leg in question. But this implies that the percentages for the other legs get pushed down because the sum has to be 100%. So it looks as if you were running relatively fast, while this was possibly not the case. I ignored this correlation and treated the percentages as random variables. This is obviously not correct, but good enough for our purposes. And it simplifies everything enormously. The error made due to this will be the biggest in long legs of stages with few legs.

For the route options, the best starting point is just looking at the tracks on a map. Visual inspection reveals if there was variation in the ways taken. If everybody followed the same obvious path it makes no sense to make a further analysis. If there were different option, I manually identified those. For each track I manually decided to which option they belonged. Mistakes made in the classification are entirely my own. I’ve also experimented with a kNN-classifier, but in the end making the classification manually turned out to be both quicker and more accurate.

The implicit assumption is that all runners need the same percentage of their stage time to cover a specific leg. Then, if for all runners taking a specific route choice this percentage is higher than for the runners taking another route choice, we can assume that the former route was simply slower than the latter route. I want to stress that correlation does not imply causality. The causality might be the other way around. Maybe tired, slowing runners tend to prefer a route which looks easier (e.g. less elevation change). The choice of the route can certainly depend on how you feel at a particular moment. It is also useful to stress that the optimal will depend on the circumstances, especially the weather. Under different circumstances, and they will definitely be different during a next edition of the race, other choices might be better than the optimal choices of 2015. Furthermore, there is absolutely no guarantee that any part of the 2015 race will be part of next editions. Though some parts are of course very likely to be a part of all Dragon’s Back Races.
It has been announced that from 2017 on the map will contained an advised line. The data that you find here might help you spot the places where it is interesting to sneak to an alternative option.

The analysis is every time limited to runners that finished the stage. Otherwise it doesn’t make a lot of sense to calculate the percentage of the stage time. All times are given in minutes.

Distribution over stages

As a way to get started, I start by taking a look at how the distribution over the different stages looks like. Obviously, I won’t make any attempt to link this to route choices, but it might give an idea of the stages where people lost time.

Only 65 runners are ranked in the final standings. For those 65 this are histograms of how much time they spent on each of the stages.

The average percentage of finish time needed for each of the subsequent stages is 18.9%, 21.1%, 21.6%, 20.4% and 18.1%. As all participants probably figured out, the longest stages are the second and third stages. The first and last stages are the shortest ones. The first one feels a bit longer then it really is because you are still fresh, it has lots of elevation change and you start later than during the other stages. The spread is clearly larger on the last stage than on the other stages. I’m not sure if this is because some people were struggling to the finish line, or if it has to do with the weather conditions. During this last stage we got some foggy conditions making the navigation a lot more tricky than during the rest of the race. I might simply be the difference between people nailing the navigations and people loosing lots of time when they get lost or spending a lot of time to avoid getting lost.
Next, let’s see if this distribution over the stages changes with finish time.

This is for each of the stages a scatter plot showing the percentage of time spent on the stage in function of the total time. To consider differences between faster and slower runners, I’ve added a linear regression line. In order to read this you have to realise that for each runner there are five dots: one on each plot and those five dots are on a vertical line. We see some nice examples of the correlation between those percentages. The runners that are very bad (very high percentage) on one stage are usually relatively good (low percentage) during another stage. I’ll give two examples.

There is the runner who spent almost 25% of his race on stage 2. This is the rightmost bar in the histograms. We see that the same runner spent (relatively) the least time on stage 5 of all runners. So this same runner is the leftmost bar in the histograms. It is an example of someone who had a rough day during the second stage and made a big dive in the ranking on that day. Afterwards, he recovered and started moving up again in the rankings. I know because it’s me.

Another nice example is the runner who ran slightly more than 3500 minutes over the entire race. I won’t say who he is, but let’s call him Ally. In the first two stages he ran very fast for someone with his total time. You see that both times his dots are very low. During the last two stages, on the other hand, his dots are very high, indicating that we was very slow for someone with his total time. It is an example of a fast runner who got physical issues halfway through the races and ended up struggling to the finish line with the back of the packers in the last stages.

If you find yourself, the stages where you are above the line will be the stages where you had the most difficulties, while the stages where you are below the line are when you had a blast. Don’t be disappointed if you are not all the time below the line. That is impossible.

A logical question to ask is if there is a difference between faster and slower runners. We see that during stages 1 and 3 the regression line has negative slope, while during stages 4 and 5 it has a positive slope. This means that faster runners spent relatively longer on stages 1 and 3 and less time on stages 4 and 5. Or, another way to turn this is that the faster runners are better at keeping up the pace over the five stages, while slower runners are slowing while the race progresses. For the more mathematically inclined readers I give the slopes of the regression lines with a 95% confidence interval for each of the five stages: -6.2e-06 (-1.2e-05; -7.9e-07), -3.0e-06 (-8.4e-06; 2.4e-06), -6.7e-06 (-1.1e-05; -2.9e-06), 8.8e-06 (4.8e-06; 1.3e-05) and 7.1e-06 (5.3e-07; 1.4e-05).

Posted in Lopen, Ultra | Leave a comment

How to kill a dragon? Day 5

Day 5 of the Dragon’s Back Race. The final day. This stage is a bit shorter to allow all those still in the race to finish somewhat comfortably. After a few first legs without obvious choices, the runners enter the Brecon Beacons. Also there the options are limited. Don’t expect too many shocking results from this stage. You need to run quickly. That is about it.

The entire stage

The fastest time was run by Jim Mann with 426.4 minutes.
The median time was 699.7 minutes.
Below are the histograms of the percentage spent over each leg.

The longest legs are clearly 4 and 5. The runners spent there almost 20% of the stage.

My basic assumption that the percentage is independent of running time looks rather OK here. A quick look on the error bars for the slopes of the regression lines should confirm that.

Not perfect, but I can live with that. It is good enough for me.

Just as for the previous stages, I made a set of boxplots. This is mine.

By now you probably got the drill. Again, they are for all runners available in a zip file.

Leg 1

The fastest time was run by Jim Mann with 37.7 minutes.
The median time was 62.3 minutes.
This leg is kind of obvious. Or at least it should be.

We see that not all runners agreed. Most (67) took the obvious green line. But some (red, 8 runners) thought there would be something very nice to see up north. And one runner (Konrad) made an original choice (yellow).

No surprises. Red is getting lost and doesn’t buy you anything.

Leg 2

The fastest time was run by Konrad Rawlik with 29.5 minutes.
The median time was 47.2 minutes.
There are no interesting choices to make.

Leg 3

The fastest time was run by Jasmin Paris and Jim Mann with 20.7 minutes.
The median time was 32.7 minutes.
Also no interesting choices.

Leg 4

The fastest time was run by Jasmin Paris and Jim Mann with 49.5 minutes.
The median time was 123.2 minutes.
During this stage you can make a few choices.

A first big choice comes leaving Llandovery. There are two more or less parallel roads. Either you take the southern one (yellow, 67 runners) or the northern one (red, 9 runners).

Conclusion: whatever. It totally doesn’t matter.

Then, you can pick a line going over the pass and descending to the forest.

The most popular option is to follow a rather straight line (62 runners, red). Alternatively, some (14) runners made a wider turn to the west.

We see again no difference, but here it is certainly possible that any possible effect over this short stretch drowns in what happened over the entire leg.

Leg 5

The fastest time was run by Jasmin Paris with 69.8 minutes.
The median time was 111.7 minutes.
There is no obvious path once leaving the forest and climbing to the ridge.

I identified four different lines, from east to west drawn in red (5 runners), yellow (7 runners), green (60 runners) and cyan (4 runners).

Unsurprisingly, it doesn’t really matter. No line is really fast or slow. Just keep going in the right direction.

Leg 6

The fastest time was run by Jim Mann with 42.9 minutes.
The median time was 62.2 minutes.
From this leg on, you will see that almost all of the runners finishing in less than 500 minutes are on a diagonal line and have the same colour in the scatter plots. This is because they were running together. During this leg you basically run straight east following a ridgeline. For most of the runners a thick fog came up during this leg which made it certainly harder to keep the correct direction. The tracks show a big variation and I classified them in two different ways.

A first classification is how runners passed the summit of Bannau Sir Gaer. This is after about a quarter to a third of the way from CP5 to CP6. From north to south those lines are red (10 runners, passing the summit), yellow (28 runners), green (30 runners) and cyan (5 runners).

We see that it doesn’t matter a lot. Cyan doesn’t impress me and is probably overshooting to the south. Also red is a bit slower, but might be good if you doubt your navigation a lot. Between green and yellow there is no real difference.
I also looked for the lines that were followed to approach CP6. This second classification was made about two thirds into the leg, basically considering the line used after Waun Lefrith.

Again going from north to south the lines are red (8 runners), yellow (22 runners), green (30 runners), cyan (12 runners) and blue (4 runners).

Very colorful, but that doesn’t lear us a thing. The exact line doesn’t really matter. Just keep going towards the checkpoint and you’ll be fine. Among the fast runners we see that Konrad lost some time by going further south than the other fast runners.

Leg 7

The fastest time was run by Damian Hall with 51.7 minutes.
The median time was 85.8 minutes.
During this leg you run first south to the end of a valley before heading west to CP7. Again, many lines are possible as there is no real path. As a starter I will look at the lines used to leave CP6.

From east to west the lines are red (11 runners), yellow (36 runners) and green (29 runners).

None of the lines are really faster, but it looks like yellow is the most intersting line. On green and red the spread is bigger, so there you run the risk of loosing time.
Secondly, I classified by the point of making the turn.

My classification is from north to south shortly after the turning point. From north to south we see red (11 runners), yellow (26 runners), green (11 runners), cyan (17 runners), blue (6 runners) and 5 runners that were overshooting it in magenta.

I would say that red, yellow, green and cyan are all fine, but that blue and magenta start to overshoot it.

Leg 8

The fastest time was run by Damian Hall with 24.0 minutes.
The median time was 37.2 minutes.
This is a rather short leg, where you first descend to a road and then shoot for a summit at the other side of the road. This is also without paths, so the lines are not clearly definined.

I classified again from north to south in red (15 runners), yellow (49 runners) and green (11 runners). Finally there is Filip who got lost to the south (cyan).

Yellow and red look more or less equivalent. Green is on the high end so a bit slower. And cyan is desastrous. It easily takes twice as long as the other options. But nobody would make that choice on purpose, I think.

Leg 9

The fastest time was run by Charlie Sharpe with 30.3 minutes.
The median time was 48.1 minutes.
Another short leg with no clear path. The trick was following a good line in the fog.

My classification is made at the point where the track spread out the widest. From north to south there are red (4 runners), yellow (41 runners), green (9 runners), cyan (17 runners) and blue (5 runners).

Again, there is no clear winner. The most remarkable is how the faster runners went for cyan, while the second half went rather for yellow-green.

Leg 10

The fastest time was run by Pavel Paloncy with 29.1 minutes.
The median time was 53.2 minutes.
Pavel was here spectacular, running seven minutes faster than any other runner. That is a lot over such a short leg.

Most (42, yellow) runners took a rather straight line to the final mandatory part. The red line are seven runners that started a bit more to the north. Another popular option was to head straigth for the road and start following that (cyan, 16 runners). Finally, there is green which is a bit between yellow and cyan (12 runners).

The result is a bit of mixed bag. I think that the result here depends more on the remaining motivating to blast to the finish line, rather than on the route choice made.

So, that was it for the entire race. Now you know how you can kill a dragon in only five days. The most important lesson is that you should avoid getting lost and if it is not obvious from the map which choice is the best, it usually doesn’t matter which one you take.

Overview
Day 1
Day 2
Day 3
Day 4

Posted in Lopen, Ultra | Leave a comment

How to kill a dragon? Day 4

Day 4 of the Dragon’s Back Race is for me the least interesting stage. It contains a rather big amount of road running, including a very long descent to reach the finish line.

The entire stage

The fastest time was run by Jim Mann with 478.8 minutes.
The median time was 767.3 minutes.
Below are the histograms of the percentage spent over each leg.

By far the longest leg is the last one, where the runners spend around 30% of the entire stage. When you get the map it is really an impressivly long line. Like for the previous two stages, I provide a scatterplot

My basic assumption that the percentage is independent of running time looks rather OK here. A quick look on the error bars for the slopes of the regression lines should confirm that.

Not perfect, but I can live with that. It is good enough for me.

Just as for stages 1, 2 and 3, I made a set of boxplots. This is mine.

You see clearly where I had bad patches and made stupid mistakes. And that as a former marathoner I am still able to pick up speed in the final road leg. Even though my road running days are more than a decade behind me. Again, they are for all runners available in a zip file.

Leg 1

The fastest time was run by Jasmin Paris with 45.3 minutes.
The median time was 76.1 minutes.
This leg crosses first a big stretch with no obvious paths in the correct direction before entering a wind farm where roads are sometimes in the correct direction and sometimes not.

In the central part, the lines are a bit messy. I tried to separate by the way they approached the checkpoint. Most of the runners (24) followed the yellow line. The red line are runners that followed a road a bit more to the north (15 runners). To the south of the yellow line is the green option (15 runners). Finally, there is cyan (13 runners), which involves following clear tracks down a valley and up again.

Cyan is clearly a bad choice. No surprise, it is longer and has more elevation change. The other options are rather similar where yellow (mean of 9.5%) has a slight edge over red (9.8%) and green (10.0%). Next time, I would try yellow.

Leg 2

The fastest time was run by Konrad Rawlik with 36.5 minutes.
The median time was 54.6 minutes.
This is a leg that looks rather obvious with possibilities for lots of fast running.

There are again three big lines, this time defined by the way you leave checkpoint 1. There is a northern options that starts a bit cross country before hitting roads (25 runners). Alternatively, there is yellow that follows some roads further south (22 runners). The green option (12 runners) starts like the yellow one, but afterwards makes a loop to the south. It looks a lot like missing the turn for yellow. Finally, blue (6 runners) and cyan (2 runners) include some obvious mistakes. Cyan starts like red, but starts following green in the wrong direction when they join, while blue thinks running away from the checkpoint is any help.

The options of getting lost are obviously slower. Yellow and red look completely equivallent, while green looks a bit longer. Logic, because green is a longer version of yellow. I think it doesn’t matter if you take red or yellow. Just don’t get lost.

Leg 3

The fastest time was run by Jim Mann with 44.7 minutes.
The median time was 63.2 minutes.
This is a leg involving a bit of road running.

In the first half of the leg there are again three options. Basically, the question is how badly you want to avoid the road. Green is going around the mountain following the road (14 runners). Then, we have yellow (37 runners), which involves following a path up the mountain. Finally, red (16 runners) starts like yellow but sticks to the straight line.

For me the green (average 9.1%) is the slowest option, while yellow (8.2%) and red (8.5%) are more or less equivalent. Remarkable enough the fastest runners have systematically taken an option that I consider suboptimal. This is probably the only leg where this happens.
The leg is not over yet and more choices are to be made.

Most runners (61) followed the road until it makes no sense any more (green). A few (6), on the other hand, tried to keep up the straight line for the start of the stage (red). Finally, one runner tried something in between (yellow).

Not very convincing for me. It probably doesn’t really matter.

Leg 4

The fastest time was run by Jasmin Paris and Jim Mann with 20.9 minutes.
The median time was 31.4 minutes.
Here, you follow a very wide ridge before heading down to the checkpoint in the valley.

The big chunck (50 runners) followed the green band. The red line (9 runners) goes to the first summit, where there is no checkpoint, and makes there a turn instead of turning more gently. Runners following the yellow line (4 runners) started along the green band, but went a bit further to the north in the second half of the stage, where de red runners passed. Finally, 4 runners followed a line a little further to the south (cyan).

Unsurprisingly, hard to tell any differences from this.

Leg 5

The times of checkpoint 5 are not available. The fastest time over legs 5 and 6 combined was run by Jim Mann with 76.3 minutes.
The median time was 123.0 minutes.
I will use in the discussion of both legs 5 and 6 the time run between CP4 and CP6. The first question for this leg is how you get to the other side of the mountain to the east of CP4.

One option is to go all the way around by descending to the road and add a lot of road running (cyan, 13 runners). All the other options are heading straight over the mountain. The central yellow line was followed by 34 runners. Six runners made a turn to the east before heading south to the road (red). Finally, the green option (14 runners) is slightly more to the west than the main yellow line.

Clearly, cyan and red are not exactly fast options. I would avoid those if I were you. Between yellow and green it doesn’t really matter. Both appear to be about equally fast.
This brings us not yet to checkpoint 5. To get there we need to get to the summit of Esgair Penygareg from that road.

There are multiple options that I devided into three groups. The first option (red, 39 runners) is following the road until you get as close to the summit as possible and climb from there. The yellow group are 21 runners that were a bit less patient and left the road earlier. Finally, there is green group (7 runners) that absolutely disliked the road and simply went cross country.

This is another place where the faster half and the slower half act entirely differently. Green and yellow are for the faster runners, while the slower runners all opt for red. The most remarkable is the strong performance of green. I think that I will test that a next time. It is certainly not slow and allows you to avoid a huge stretch of road running. But some more data on that option would be great.

Leg 6

This leg is leading up to the halfway checkpoint. From CP5 you basically have to get to the other side of a mountain. The obvious question is which side of the mountain you should take.

There are a lot of options. Firstly, you can go to the eastern side. Even there you have plenty of choices. The most obvious path (red) was followed by 18 runners. Some thought it better to take a slightly shorter turn (yellow, 9 runners) or a much shorter turn (green, 9 runners). Then, there are those that passed on the western side. Of those, 11 runners crossed over to the path taken by the previously mentioned runners by following a path on the south side of the mountain (cyan). Others (19 runners, blue) sticked better to their choice and went in a more straight line. Finally, one runner (magenta) did something that is probably most adequately described as getting horribly lost.

Well, the least we can say is that the result is colourful. It is also remarkable that none of the options is reserved for faster or slower runners. And there is no clear winner. But remember that I’ve put the times over legs 5 and 6 together over this stretch. This part of the analysis will certainly benefit enormously from determining the times for both legs separately.

Leg 7

The fastest time was run by Jasmin Paris with 15.0 minutes.
The median time was 33.8 minutes.
Remember that this is the leg following the halfway checkpoint and as such includes time spent in the aid station. The leg is too short to be interesting.

Leg 8

The fastest time was run by Konrad Rawlik with 98.8 minutes.
The median time was 147.1 minutes.
The first part of this leg is not very interesting because you simply have to follow an obvious path. The second half is more interesting.

There are a few distinct possibilities. The most popular one is following the path to more or less the col and turn rather straight west to the summit with the checkpoints. There are to distinct turning points. There is the one of yellow (16 runners) and a bit further south the green one (34 runners). Some runners (3, cyan) apparently went a bit to far south before turning. Finally, there are 14 runners who risked going more cross country (red).

Well, this is a surprise for me. The fastest way is clearly also the shortest. The average percentages for the different options are 17.0% (red), 19.2% (yellow), 18.9% (green) and 21.2% (cyan). This is one of the places where the less obvious choice is faster. There is about 10 minutes to be gained at this point. As for the difference between yellow and green, you shouldn’t bother. It is something that we’ve seen a few times. The difference between making a turn just right or slightly earlier or later is not something that will break or make your race.

Leg 9

The fastest time was run by Jasmin Paris with 138.2 minutes.
The median time was 231.8 minutes.
This is a very long leg to the finish line. It is one of my least favorite because it involves a lot of road running (even though I’m rather able to do that as I ran the sixth time of this leg). But leaving CP8 there is an interesting choice to be made.

A first option is to head south, find a valley, at some point descend into the valley and start following the path that is there (red, 9 runners). The others left CP8 to the SW and went for the corner of the forest. After the forest there are again two options. The majority followed to road to join up with the red runners (green, 44 runners). The alternative is cyan (11 runners) which is certainly longer but involves less elevation change and probably a smoother running surface. Basically, it leaves out a small pass the the others have to tackle before hitting the lake. Finally, there are yellow (2 runners) which involves starting SW before switching to the red line and one runner who strayed a bit before finding the forest corner (blue).

What we see is that is once again doesn’t really matter. Cyan looks slow to me, but between red and green… There is no telling. I’m also a bit surprised by the good performance of yellow. That is another choice where I would love to see more data.

Overview
Day 1
Day 2
Day 3
Day 5

Posted in Lopen, Ultra | Leave a comment

How to kill a dragon? Day 3

Day 3 of the Dragon’s Back Race is less mountainous than the previous two stages. In distance, however, it is the longest stage of the entire race.

The entire stage

The fastest time was run by Jim Mann with 552.1 minutes.
The median time was 812.8 minutes.
Below are the histograms of the percentage spent over each leg.

By far the longest leg is the last one, where the runners spend close to 20% of the entire stage. Like for the previous two stages, I provide a scatterplot

My basic assumption that the percentage is independent of running time looks rather OK here. A quick look on the error bars for the slopes of the regression lines should confirm that.

Hmmm, not really very good. There is certainly a dependence in some of the stages, but it turns a bit in different directions. You remember that there is a correlation between the different percentages, don’t you? Even though the data don’t support my assumption, I’ll maintain it for the moment. We’ll see if a correction would be necessary at some point. Part of the explanation for the last leg is that slower runners get to run that (partly) in the dark, which obviously will slow them down.

Just as for stages 1 and 2, I made a set of boxplots. This is mine.

You see clearly where I had bad patches and made stupid mistakes. Again, they are for all runners available in a zip file.

Leg 1

The fastest time was run by Jasmin Paris with 64.7 minutes.
The median time was 88.6 minutes.
During this stage the runners climb Gau Graig. The general line is clear, but there is no path, so the details change a lot. Firstly, you should find the way up the mountain. Some runners clearly made a bad turn. One even managed to find an alternative route leaving the village.

The red ones (5 runners) are those that did an out and back or went over the alternative line through the village.

We clearly see that following a red line is not exactly helpfull, without being desastrous.

Once in access land, runners took multiple distinct lines. I tried to distinguish a bit.

The red ones (six runners) are those that went rather far east. Then we have a central group shown in yellow (42 runners). Finally, some went rather to the west (22 runners). Afterwards the lines join and split again, but we’ll consider that later.

Red is again not very interesting, but between yellow and green there is no real difference. Don’t worry too much and just keep the correct general direction.

I’ll try if I can make more distinctions by the way to approach the summit.

There are basically two popular lines. In the eastern line (red) there are 54 runners, while 16 went a bit more to the west (yellow).

Again, it doesn’t matter at all. It is just remarkable to see that that the faster runners opt for the more direct yellow line, while slower runners take the red line.

Leg 2

The fastest time was run by Jim Mann with 32.0 minutes.
The median time was 44.6 minutes.
It is basically following a ridge.

The major distinction is between runners that went to the intermediate summit (yellow, 25 runners) and those that contoured a bit south of the summit (green, 41 runners). Then, there are also a few that went rather far to the south (red, 4 runners).

There is not really a distinction. For the faster runners it looks like the green line is systematically faster than yellow. But maybe I’m reading to much into it now. Red is something you probably should avoid.

Leg 3

The fastest time was run by Charlie Sharpe with 50.0 minutes.
The median time was 70.2 minutes.
We continue the ridge running. The ridge makes here a wide turn, so the question becomes if you should follow it all the way or if you rather should descend a little and take a shorter way.

The blue runners (29) simply followed the ridge. Then, we have the cyan ones (19) that tried to take a little shortcut. The green runners (11) turned a bit earlier than the cyan ones and joined the yellow ones (8) that turned still earlier from the ridge. Finally, there were three runners that tried the red line, going very low.

Red is clearly a bad idea. Between the other colours, it is less clear. Not enough data, but personally I think that yellow looks rather promising. I’ll probably try that the next time.

Leg 4

The fastest time was run by Jim Mann with 40.7 minutes.
The median time was 65.3 minutes.
During this stage you leave the ridge and get into farmland. Most of the running in the farmland is along either an obvious or a mandatory route. The point where choices can be made is leaving checkpoint 3.

Most of the runners (52) went first a bit to the west before turning south (blue). Of those that started south, 13 turned quickly east (yellow) to join the blue line, while the other four runners get going south for a lot longer. Finally, one runner took a line to the west of all others (green).

Green and red are clearly bad ideas. Between yellow and blue, the most promising looks blue. It is certainly possible to mess it up (some did so), but the results are slightly better than those for yellow. As long as you don’t ask for p-values and such, that is. Just follow the logical line and everything will be fine.

Leg 5

The fastest time was run by Beth Pascall with 58.4 minutes.
The median time was 81.2 minutes.
Most of this leg is across farmland where you have no choice but following the road. The checkpoint is on the top of a mountain (surprise, almost all are) with different choices to get to the top.

Runners come from the west following a track and try to reach the checkpoint at the dot. A first option (green, 34 runners) is following the track to the saddle (or shortly before it) and then take a straight line to the summit. A second option is to leave the track a lot earlier and go again straight for the summit (yellow, 28 runners). This is done in a surprisingly narrow band even though there is no real path. Finally, some (8) runners took a line still further to the south (red). Those lines show a lot less clustering than the other colours.

What do we see? It doesn’t matter a thing. Possibly this is because this is just the end of the leg and the effect of how strongly you ran the rest of the leg is much more important.

Leg 6

The fastest time was run by Jim Mann with 45.0 minutes.
The median time was 64.7 minutes.
Basically, this is again following a ridge and at the end of the path turning left to the summit of a mountain. Halfway you pass a little minor summit where different options were taken and then there is variation in how you climb to the checkpoint. I will consider both parts separately.

Most (41) runners took the green line following the obvious path. Others (14 runners, cyan) sticked closely to the ridge and went over that little summit. Then there are the yellow (13 runners) and red (2 runners) lines. Those look suspiciously like following the wrong ridge, where the red runners even managed to get turned around in the fog.

Red is very bad. No surprise there. Yellow is also bad, but the interesting question betwee cyan and green is less clear. The averages are 8.0% for cyan against 8.1% for green, which basically means no difference.
Next, we look at the different options to climb to the checkpoint.

The main bulk of the runners (47, cyan) followed the obvious path. This is clearly the longest option. The red line are seven runners that turned a bit north and followed a line rather parallel to cyan before climbing to the summit. Two runners turned at the same point as the red line, but went then straight to the summit (green). Finally, the yellow line are 14 runners that started like cyan, but tried to shorten the wide turn.

This is rather clear. Follow cyan. It is the easiest way, you can’t get lost and it is the fastest. Red and green look rather desastrous, while yellow holds some promise but is a lot of effort for zero gain.

Leg 7

The fastest time was run by Beth Pascall with 50.5 minutes. She gained five minutes on anyone else.
The median time was 79.3 minutes.
This leg is a long descend to the halfway checkpoint. There are multiple tracks on the mountain and usually some people make terrible detours.

Most (59) runners took the straight cyan line down the hill. We see that some (6) strayed to the east and made an extra turn on an unsurfaced road to get back to the cyan line (yellow). Then there were two who did something similar to the west (green). Finally, three runners took a very long and original way far to the east of the others. There were some more very original tracks, but those belonged to people that did not finish the stage (usually they dropped at CP7), so those are not taken into account in this analysis.

It is no surprise that some of the original options take a very long time on this leg. More surprising to me is that some of the original options are still rather fast. It makes me wonder if the time you lose on this stage is not mainly due to doubting where you are. I know that is not always easy to pin your location down at every intersection. Possibly the most important thing is to keep going in a good direction while knowing where you are on the map. The time you can lose here doubting your position is probably a lot larger than what you lose by not exactly nailing the shortest way.

Leg 8

The fastest time was run by Beth Pascall with 33.1 minutes.
The median time was 55.8 minutes.
Keep again in mind that time include for this leg the time spent in the aid station. Variation in that resting time will probably dominate any difference due to route choices. Especially since this is a short leg of which most follows a mandatory route.

We see that the big majority (64 runners) to the straightforward option (cyan). Some (9) opted for a line parallel to the cyan line (green). And than there were three who tried the green line but did something that looks like getting lost (yellow).

Yellow is obviously bad. You don’t want to do that. Green? Well, not really bad. Some spent a long time, but others were as fast as the cyan ones. I suppose that the slower ones spent a long time trying to fit reality to the map.

Leg 9

The fastest time was run by Jim Mann with 20.1 minutes.
The median time was 30.2 minutes.
This is an obvious leg with no possibility to be original.

Leg 10

The fastest time was run by Jez Bragg with 106.2 minutes.
The median time was 152.7 minutes.
This is a long leg with choices to make in the first half and another choice in the second half.

In the first half the most popular option is to stay high (cyan). This option was chosen by 66 runners. A few tried something else. Usually this is descending a bit earlier than the cyan line and crossing part of the forest (yellow, 4 runners and green, 5 runners). Finally, one runner (Sabrina) was very original and went down immediately after CP9 and stayed low in the valley.

Well, this looks clear to me. Follow cyan. All the other options will make you lose (a lot of) time.

Then, we have the climb to the summit of Pumlumon Fawr where the checkpoint is.

There are multiple optios. A first option is to stay low and follow the valley. There is a small path to the east of the river. The yellow line follows this to the lake at the end of the valley and turns then west to climb to the summit (23 runners). Very similar is green, but those runners turned a bit earlier (11 runners). Then there are those that thought nothing of this path and started climbing the slope from the beginning of the valley. Most stayed level on the wide track, followed that through the valley an turned west at the end of the valley to climb to the summit (cyan, 8 runners). Other thought themselves to good for a track and went cross country over the slope in a somewhat straight line (blue, 33 runners). Finally, one runner (Christopher) was very original and chose a scenic tour to the east, adding in a few extra summits.

Here, it is funny to see how green and cyan are options for the faster runners, while yellow is restricted to slower runners. Blue on the other hand is popular among all. The average percentages are 18.5% (yellow), 18.5% (cyan), 19.1% (green) and 19.5% (blue). It is a close call, but I think that cyan is the preferable option. That is what I will try a next time. But yellow is also a very good option.

Leg 11

The fastest time was run by Damian Hall with 32.7 minutes. He gained almost five minutes on anyone else, which is surprisingly much for such a short leg.
The median time was 61.6 minutes.

If we look at the different options, we see that there are two distinct options. The yellow line (65 runners) cuts the corner a bit, while the red line (11 runners) sticks to the edge of the forest.

The difference in time is not much and the red option was only taken by back of the packers. It is probably simply due to night navigation and people running together or following each others lights.

Overview
Day 1
Day 2
Day 4
Day 5

Posted in Lopen, Ultra | 1 Comment